Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/228

Deze pagina is gevalideerd

— 214 —

strekt niet beter zijn, kan ik haar, om haren prijs, niemand aanbevelen, die zich eene van molteni verschaffen kan.

De sterrekundige oogbuis van eenen kijker dient eigenlijk tot niets anders, dan om het beeld, door het voorwerpglas gevormd, vergroot te vertoonen. Zij zoude dus ook slechts een enkel vergrootglas behoeven te bevatten, indien dit volkomen ware. Wegens de kleurschifting, die de breking altijd vergezelt, ziet men echter de voorwerpen, door een sterk vergrootend glas, met valsche gekleurde randen, en die randen zijn bovendien onzuiver, omdat een glas met kogelvormige oppervlakken de lichtstralen, die van één punt uitgaan, niet weder volkomen in één punt kan hereenigen. Men gebruikt een zamenstel van twee glazen, om, door het een de gebreken van het ander te vereffenen, en het is geen ligt vraagstuk te bepalen, welken vorm, welke grootte en welken afstand men aan die glazen geven moet, opdat de genoemde vereffening zoo volkomen mogelijk zij. Bij de meest gebruikelijke sterrekundige oogbuizen heeft men glazen, die aan de eene zijde bol en aan de andere zijde plat zijn, terwijl de platte zijde naar het oog wordt toegekeerd. Het glas, dat het digtst bij het oog is geplaatst, heeft eenen brandpuntsafstand drie malen kleiner dan die van het ander, en de afstand van beide glazen is twee malen zoo groot, als de brandpuntsafstand van het eerstgenoemde. Het beeld, dat men beschouwt, valt in het midden tusschen beide glazen, die uit dezelfde glassoort (kroonglas) zijn vervaardigd, en bij welke de kleurschifting grootendeels daardoor wordt opgeheven, dat de lichtstralen elkander, tusschen de glazen, overkruisen. Deze oogbuizen zijn echter nog ver van volkomen, zoo als dit maar al te duidelijk blijkt, uit de omstandigheid, dat de voorwerpen, door eenen kijker met zulk eene oogbuis gezien, hunne scherpte verliezen, als zij van het midden van het gezigtsveld naar zijne randen worden overgebragt. Nog minder volkomen zijn de oogbuizen, bij welke het beeld niet tusschen de beide glazen valt, zoo als men gedwongen is die bij de sterrekundige meetwerktuigen te gebruiken, en daarom heeft men ook pogingen aangewend, om de sterrekundige oogbuizen, even als de voorwerpglazen, door eene vereeniging van