Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/269

Deze pagina is gevalideerd

— 255 —

anders, of zij moesten door de bijgeloovigheid van vroegere tijden tot allerlei legenden aanleiding geven. De Harz heeft daarvan dan ook een grooten overvloed; maar het is hier de plaats niet om hierover uit te weiden.

Door deze vulkanische bewegingen zijn er vooruitstekende rotsen en diepe afgronden gevormd; hier zijn bergkloven ontstaan, waardoor de eene of andere bruischende stroom zijn water voortjaagt en met eene onverwinbare kracht alles, wat slechts onder zijn bereik komt, medesleept; ginds daarentegen zijn holen en spelonken achter gebleven, waaronder de Baumanns- en Bielsgrot te regt eenen wijdberoemden naam verworven hebben. Deze beide grotten, welke volgens eenigen zelfs voor die van Antiparos niet zouden behoeven onder te doen, liggen bij Rübeland in het Bodedal, de eerste aan den linker, de laatste aan den regter oever der rivier. Men klimt langs een steil en smal voetpad naar de Baumannsgrot, welke ongeveer 140 voet boven den bodem van het dal gelegen is, en welke ingang met boschanemonen en klokjes (Anemone pratensis en Campanula conglomerata) als het ware is omkranst; en nadat de gids den reiziger een aangestoken berglampje[1] heeft ter hand gesteld, treedt hij de grot binnen. Deze bestaat eigenlijk uit zeven hoofd-afdeelingen of eigenlijke grotten, en ligt even als de Bielsgrot, geheel in eenen zwartachtigen, even als marmer geaderden kalksteen (Porphyr?); het water, dat bestendig hierdoor henen sijpelt, heeft het koolzuur van den kalksteen opgelost, en daar het weder in de grot verdampt, blijft er een nederslag achter, dat, hard geworden zijnde, onder den naam van druipsteen of stalactiten bekend is, en de allerzonderlingste en meest wonderbare gedaanten en figuren, b.v. leeuwen, hagedissen, druiven, enz. te voorschijn roept; eene biddende non en een engeltje met vleugels zijn in dit opzigt vooral opmerkenswaardig. Volgens Gottschalk [2] hebben de zeven grotten te zamen eene lengte van 758 voet, en de grootste, het zoogenaamde voorportaal of de vestibule, heeft


  1. De lamp, die door de bergwerkers wordt gebruikt.
  2. Fr. Gottschalck, Taschenbuch für Reisende in dem Harz, Magdeburg 1843, pag. 222.