Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/440

Deze pagina is niet proefgelezen


 

PLANTENGROEI AAN DE LANDENGTE VAN PANAMA.



Er heerscht hier meer afwisseling in den plantengroei, dan men uit de gelijkmatigheid van luchtstreek en grondgesteldheid zoude verwachten. De zeekusten en alle die streken, welke blootstaan aan de wisseling van vloed en ebbe en aan de uitwasemingen der zee, hebben een eigenaardig aanzien ten opzigte der daar voorkomende gewassen, welke in het algemeen een lederachtig, glad en dikgerand blad bezitten. In alle moerassige plekken, welke met den waterspiegel gelijk liggen, vindt men ondoordringbare bosschen, die verpeste dampen uitwasemen en schadelijke ziekten in den omtrek te weeg brengen. Duizenden van moskieten en zandvliegen vervullen de lucht; groote alligators (kaaimans) blakeren zich in de zon aan den moerassigen oever, en liggen stil, met groote oogen rondziende en te water gaande zoodra iemand nadert. De uitdrooging dezer schrikkelijke moerassen is bijna niet mogelijk. Talrijke Avicennia's, met hare op groote aspersiën gelijkende wortelstokken, schieten ontelbare nieuwe scheuten op, zoodra de oude stam gevallen is. Rhizophora's (de mangleboom) schieten hunne wortelen in alle rigtingen van de takken des stams door de lucht heen naar den slijkerigen bodem, en ondersteunen de kroon van den stam naar alle zijden. Te Panama, waar de vloed eene hoogte van 33 voeten bereikt, staan deze boomen dikwijls onder water en de woelende branding spoelt hunne kroonen af, zonder dat hun wasdom daaronder schijnt te lijden. De natuur schijnt voor dit gewas bijzonder gezorgd te hebben; want hun zaad kiemt reeds, terwijl de vrucht nog aan den boom vast zit, en eerst, wanneer de kiemwortel eenige duimen ver uitgeschoten is, valt het zaad naar beneden en groeit in het weeke slijk verder voort. In het zand der zeekusten wast eene soort van klokwinde (Ipomaea pes caprae) in wilden overvloed.