Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/507

Deze pagina is niet proefgelezen


 

NATUURHISTORISCHE SCHETS

DER

VISSCHEN,

EN VAN

HUNNE BETEEKENIS VOOR DEN MENSCH,

DOOR

Dr. A.W.M. van HASSELT.

 

 

I.

Uitgestrekte wateren omgeven onze aarde en doorsnijden haar in alle rigtingen. Hunne oppervlakte wordt op drie-vierde deelen van het geheele bolvormige vlak onzer planeet begroot. Hunne grootste diepte, nog niet lang verleden op 15000 voeten gesteld, bedraagt volgens de laatste peilingen op sommige plaatsen van den Atlantischen Oceaan ongeveer drie malen zooveel, d.i. nagenoeg even zoo vele Ned. ellen of 15000 meters,[1] Dat vlak en die diepte, door verscheidene omstandigheden gewijzigd, vormen eene, in der daad verbazende waterkom, wier kubieke inhoud voor benaderende berekening niet geheel onvatbaar kan worden geacht. Maar wie zal ze tellen, de legioenen bewoners van zoo groot eenen plas? Hoe is het denkbaar, dat de mensch ooit kennis zal dragen van al de levende geheimen, die deze in zijne diepe kolken bevat? Een gedeelte slechts dier bewoners wordt door het Rijk der Visschen vertegenwoordigd. Door dit rijk voor de lezers van het Album in eenige bijzonderheden te schetsen,—waartoe mij onder andere, later te noemen werken, het voortreffelijk Handboek van Prof. j. van der hoeven uitnemende diensten heeft bewezen,—hoop ik aan velen hunner eene genoegelijke herinnering aan bekende zaken te verschaffen, anderen eenige lee-


  1. Zie Album der Natuur 1853, bl. 254.