Pagina:Album der Natuur 1856 en 1857.djvu/809

Deze pagina is proefgelezen
379
OVER INSEKTEN, DIE METAAL DOORBOREN.

Réaumur (Nouv. Mémoires, p. 313) beschrijft die boor op deze wijze. "Dit werktuig bezit eene schede, zamengesteld uit twee gootsgewijs uitgeholde helften. In het midden dezer schede, uit die twee halve scheden bestaande, ligt de boor, die stijf is en wederstand bieden kan. Zij bezit aan elke zijde zeven of acht tanden, en elke tand bezit de gedaante van een halve pijlpunt. Bovendien bevinden er zich nog andere kleine tandjes aan de onderste oppervlakte der boor. Allen staan op de boor in eene schuinsche rigting." De boor gelijkt dus 't meest op eene rasp of grove vijl.

Jirine (Nouvelle méthode de classer les Hyménoptères pag. 77) beschrijft aldus de wijze, op welke hij meermalen dit insekt het hout heeft zien doorboren, om er zijne eijeren in te leggen. "De buik rigt zich op, ten einde aan de boor eene loodregte rigting te geven, en in het hout te boren, door de segmenten van den buik beurtelings van voren naar achteren zamen te trekken, en alzoo op de boor te werken als de slagen van een hamer op eene wig. Dit werktuig dringt zoo diep in, dat het niet dan met groote moeite kan teruggetrokken worden. Het is mij zelfs gebeurd, dat, wanneer ik het insekt in deze houding wilde vatten, ik de laatste buikringen moest afscheuren ten einde de boor, die tot bijna aan hare basis in het hout gedrongen was, er uit te kunnen trekken."

Duméril houdt het er verder voor, dat het onderwerpelijke insekt die soort van Uroceras is, die bij de schrijvers als Uroceras juvencus bekend staat. Deze soort is merkwaardig om hare zeer verlengde, en bijna overal cijlindervormige gedaante, terwijl de buikbekleedsels week zijn, en niet hard, zooals het geval is bij de meeste vliesvleugeligen, wier borst met den buik verbonden is door een dun tusschengedeelte. (Compt, rendus. 14 Sept. 1857 pag 361)