Pagina:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu/132

Deze pagina is proefgelezen
106
KRUIPENDE, LOOPENDE, SPRINGENDE EN KLIMMENDE VISSCHEN.

ongunstige omstandigheden, zegt kirbij[1], „bewijst, dat toen de Schepper aan deze dieren het aanzijn gaf, Hij de omstandigheden waarin zij geraken konden vooruitzag en hen genadig begiftigde met middelen om gevaren te ontkomen, aan welke zij noodzakelijk zouden worden blootgesteld."

Over de wijze waarop zij kruipt behoeven wij niet te spreken, daar zij in alles gelijk is aan die van den aal. Verdere merkwaardigheden van dit vischje zijn, dat zij, volgens cuvier, de dampkringslucht door den mond inslikt en door den anus weder ontlast, na haar in koolzuurgas veranderd te hebben, wat door ehrman is waargenomen; dat haar vleesch week is en een zoogenaamden moddersmaak heeft, waarom zij weinig tot voedsel voor den mensch gebruikt wordt: een familielid van onze meerslang, de Cobitis barbatula L. is echter zeer goed van smaak. (Deze wordt slechts vijf duim lang, is bruin gevlekt en gestippeld op een' geelachtigen grond en heeft slechts zes baarden). Overigens heeft men in hare kuit 137,000 eijertjes geteld. Gesner heeft haar Cobitis fossilis genoemd, omdat hij meende, dat zij uit de aarde voortkwam en slechts door overstroomingen, regenbuijen enz. in het water geraakte.

Verlaten wij nu de bewoners van het zoete water en beschouwen wij een paar zeebewoners, die eveneens uit het water kruipen.

 

Dikwijls beweegt een ander oogmerk dan het zoeken van voedsel den smelt, Ammodytes tobianus L., om het water te verlaten, namelijk het zoeken van eene schuilplaats, waar hij veilig is voor zijne vijanden; hoewel hij er ook gedurende een geruimen tijd uit blijft om eten te zoeken. Dit vischje, tot de weekvinnige visschen zonder buikvinnen (Malacopterygii apodes) behoorende, wordt in de Oost- en Noordzee in grooten getale aangetroffen, op de kusten van Groot-Brittanje, maar ook op die van ons vaderland, vooral van Zeeland. De helft van zijn leven brengt hij niet alleen op, maar zelfs in het zand der oevers door; met den vloed zwemt hij naar het strand, graaft zich vijf tot zes duim diep in het zand en blijft daar vertoeven, azende op wormpjes, kleine schaaldieren enz., ofschoon het water met de volgende ebbe zich ver-

  1. On the power, wisdom and goodness of God, by w. kirby, pag. 141.