Pagina:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu/142

Deze pagina is proefgelezen
116
KRUIPENDE, LOOPENDE, SPRINGENDE EN KLIMMENDE VISSCHEN.

baarden en men kan zich een denkbeeld vormen van het zonderlinge voorkomen van dit dier.

Desniettemin is zijne meest in het oog vallende bijzonderheid nog niet door ons gemeld; wij bedoelen de inrigting zijner vinnen. Beginnen wij met de borstvinnen en buikvinnen als de zonderlingsten. Wij weten dat de borstvinnen bij de meeste visschen digt bij den kop en meest altijd vóór de buikvinnen geplaatst zijn: hier echter is het juist omgekeerd: de buikvinnen zitten onmiddelijk op de keel in plaats van bij den anus, en worden daarom door sommigen keelvinnen geheeten. De borstvinnen integendeel bevinden zich zeer ver naar achteren en achter de buikvinnen, doch hebben, behalve die bijzonderheid, nog deze, dat zij niet onmiddellijk aan het ligchaam bevestigd zijn, maar als 't ware op een vleeschachtig voetstuk rusten, dat zich vertoont als of het een gebogen arm of een been was, waar de vin den voet of de hand van vormt. Ook wordt die vleeschmassa gesteund door twee, zeer goed ontwikkelde beenderen, die men met den ellepijp en het spaakbeen der zoogdieren vergelijken kan; de aan dat deel zittende borstvin bevat elf stralen, die buiten het vlies uitsteken, op de wijze als de nagels der zwemvogels buiten het zwemvlies treden, men zou die uitstekende deelen zeer goed bij teenen of vingers kunnen vergelijken. De buikvin heeft dezelfde eigenaardigheid, behalve dat zij slechts vijf stralen en vijf nagels heeft, iets wat hare gelijkheid aan eene hand nog grooter maakt. Die stralen zijn vrij sterk en tevens zeer bewegelijk, eene eigenschap, die den visch in staat stelt zich van deze vinnen, als van handen, te bedienen om er mede te klimmen of te loopen, gelijk wij straks beschrijven zullen. Om die zeer opmerkelijke vinnen nu heeft men den Lophius een viervoetige of liever vierhandige visch genaamd, men heeft zelfs beweerd, dat hij de vertegenwoordiger van de vierhandige zoogdieren (apen, mongo's enz.) onder de visschen zou zijn; ja eene ziekelijk verhitte en opgewekte verbeelding is zelfs zoo ver gegaan van in een familielid van den Lophius histrio, namelijk in den zeeduivel of zeepadde, den Lophius piscatorius L. iets menschelijks te zien, en alsof dit nog niet genoeg was, men heeft dien visch in de middeneeuwen voor een' ligchamelijken duivel gehouden, en zeeduivel, diable de mer geheeten, en veelvuldig zijn de bedriegerijen