Pagina:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu/147

Deze pagina is proefgelezen
121
KRUIPENDE, LOOPENDE, SPRINGENDE EN KLIMMENDE VISSCHEN.

Doch wat zeer opmerkelijk is en wat wij op het getuigenis van bose gelooven moeten is dit, dat deze diertjes altijd en zonder zich te vergissen in zoodanige rigting springen als waarin het naastbijgelegene water te vinden is, ja zelfs al brengt men hen op eene plaats, te ver van alle water verwijderd dan dat zij het zouden kunnen zien, zoo rigten zij zich toch derwaarts: dat hier een bijzonder instinct werkzaam is lijdt wel geen twijfel: genoemde bose heeft dikwijls die proef genomen en zich met die bewegingen van dit diertje verlustigd. Als wij ons echter herinneren wat wij boven gezegd hebben van andere visschen, die ook altijd naar het water springen, is het bij deze niet ongeloofbaar, doch is het dan zekerlijk, dat dit instinct bij de Hydrargyra Swampina op een' hoogen trap van ontwikkeling staat.

Hebben wij zoodoende reeds drie verschillende wijzen beschouwd van togten en bewegingen van visschen, die wij geenszins twijfelen of zij zullen onzen lezers met bewondering vervuld hebben voor de menige hulpmiddelen, die de dieren ontvangen hebben om hun aanwezen te kunnen onderhouden, ook dan zelfs als de omstandigheden hoogst ongunstig zijn voor die instandhouding des levens, wij twijfelen geenszins of de visch, met welks beschouwing wij dit artikel willen eindigen, zal die verwondering tot verbazing doen stijgen: wij moeten ons echter verontschuldigen over de betrekkelijke beknoptheid, waarmede wij dit artikel hebben moeten schrijven: een werk als het Album der Natuur is niet ingerigt om eene zoo vruchtbare stoffe als de ichthyologie of kennis der visschen op eene uitvoerige en stelselmatige wijze te behandelen; wij wenschen slechts, dat onze schetsen dienen mogen om bij onze lezers den lust tot de beoefening van dezen schoonen tak der natuurkennis op te wekken; zij beloont de moeite ruimschoots en aan klassieke werken ontbreekt het geenszins.

 

De klimmende visschen blijven ons ter behandeling nog over: wij hebben tot heden slechts kennis aan ééne soort van visch, welke op die voor een' waterbewoner zoo ongewone wijze zich beweegt. De klimmende visch behoort tot de orde der Acanthopterygii of stekelvinnigen, en tot de zesde familie dier orde volgens Cuvier, of tot die der Squammipennes. Deze familie is zoo geheeten, omdat