Pagina:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu/198

Deze pagina is proefgelezen
172
HET LEVEN DER PLANTEN ALS NATUURDRIFT.

muntende tarwesoort opleverden, die thans onder den naam van mummietarwe reeds algemeen verspreid is.

Planten, welke hare zaden moeijelijk of schaars voortbrengen, zoeken zich langs andere wegen voort te planten. De braamstruiken vormen door hare worteluitloopers heinde en ver nieuwe planten, de aardappelen ontwikkelen hunne knollen onder den grond, het huislook en de Cactus vormen worteltjes aan ieder gekwetst of afgescheurd blad; de tijgerlelie brengt kleine bolletjes in de oksels der bladeren voort, de Gladiolus gandavensis vormt honderde nieuwe individuen onder aan den bol. Een gewigtig deel der tuinkunst omvat zulk eene voortplanting in het stekken, enten, scheuren en afleggen. Ja ieder tak van eene plant is een nieuw individu en kan onder gunstige omstandigheden wortel vatten. De eenjarige planten, die zich in de natuur alleen door zaden vermenigvuldigen, brengen ook de meeste zaden voort, terwijl het aan planten met trager en minder vruchtbaren bloei gegeven is, hare soort door uitloopers en knoppen in stand te houden. Tusschen deze wijze van voortplanting en die door zaad is echter geen zoo wezenlijk verschil als men oppervlakkig meenen zou. Eigenlijk geschiedt alle voortplanting door zelfstandig gewordene knoppen. Ook de zaadkorrel is een knop, die slechts langs een bijzonderen weg gevormd wordt. De zoogenaamde bollen der tulpen en leliën zijn zelfstandige knoppen. De ontwikkeling dier geslachten uit zaad gaat langzaam en niet altijd zeker; daarom bezitten zij in hunne bollen een sneller middel tot voortplanting. Sommige waterplanten als Hydrocharis en Potamogeton vormen tusschen hare bladeren kleine hoornachtige ligchaampjes, die zich later als knopkiemen (Hybernacula) van de moederplant scheiden en nieuwe planten voortbrengen[1]. Ook bij deze planten wordt de voortplanting door zaad dikwijls door vele omstandigheden verijdeld.

In het streven naar zelfbehoud en voortplanting openbaart de plant haar eigen organisch leven als natuurdrift; maar te meer onderscheidt zij zich van de bloot anorganische voorwerpen door de bewegingen, die dat leven in haar te voorschijn roept, en die in sommige planten bijna aan dierlijke bewegingen herinneren.

  1. Botan. Zeitung 1857, 697.