Pagina:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu/207

Deze pagina is proefgelezen
181
HET LEVEN DER PLANTEN ALS NATUURDRIFT.

schoonste wijze verduidelijken. Hare bloemen zijn zamengesteld. Hetgeen wij bij de korenbloem de bloem heeten, is eigenlijk eene opeenhooping van bloempjes tot een welgevormd geheel vereenigd. Ten opzigte van de voortplanting, dat voorname doel der bloem, hebben sommige dezer kleine bloempjes eene andere bestemming dan de overige. In de zamengestelde bloem vinden wij dus de idee van eene maatschappij, de vereeniging van een aantal individuen tot een bondgenootschap, waarin het karakter der plant te krachtiger voor den dag komt. Anderen, gelijk de Erica's, de naaldboomen, de lelieachtigen, mogen in duidelijker geïsoleerde vormen optreden, geen hunner kan in hun hoogste produkt, de bloem, het honderdvoudige wezen der zamengestelden vertoonen. Wij erkennen daarom in de Compositae de hoogste ontwikkeling van alle plantvormen, in het maagdeliefje het einde van de reeks, die met een schimmel, eene enkele cel aanvangt. Ontwikkelder bloemvormen dan die der Compositae kennen wij niet, zij zijn in het plantenrijk, wat de mensch is onder de dieren. Volgens de leer der eenheid tusschen leven en vorm zou dus deze familie ook eene zeer uitgebreide werkzaamheid, een zeer ontwikkeld leven moeten bezitten en zoo is het ook. Van alle planten vinden wij bij haar den grootsten rijkdom aan chemische bestanddeelen, de talrijkste bereidingen van eigenaardige stoffen.

De Compositae vormen de talrijkste familie op aarde. Deze bezit verreweg het grootste aantal soorten en wordt ook overal in de grootste overmaat aangetroffen. Zijn de Erica's, de palmen, slechts aan zekere aardstreken gebonden, overal vinden wij Compositae, zoowel in Afrika en Siberië, als aan de polen; zij zijn aan geen lucht- of aardstreek gebonden en laten zich van alle planten het gemakkelijkst akklimateren. De zonnebloem uit Peru, de Aster uit China, de Dahlia uit Mexico hebben het burgerregt in Europa verkregen, en te midden der vreemde, vale, blad-arme natuur van Australië groeit toch hetzelfde maagdeliefje als hier en herinnert den verlaten zwerver aan zijn vaderland en zijne jeugd.

Ik heb in deze beschouwing de plant geschetst in hare afhankelijkheid van de buitenwereld, maar tevens in hare zelfstandigheid, als een wezen, dat, gelijk het dier, streeft naar zelfbehoud en voortplan-