Pagina:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu/276

Deze pagina is proefgelezen
250
DE VULKAAN VAN ANTUCO IN CHILI.

cepcion verhaalden mij zeer beschaafde lieden dat zijn bed zoo naauw en hij zelf daardoor zoo snel is, dat een daarin geworpen looden kogel, zonder te zinken, een groot eind weegs daarop voortdrijft. Ter plaatse waar hij uit het meer te voorschijn komt, ontvangt hem eene basaltkloof met regelmatige wanden; deze kloof is zeer diep, doch slechts dertig voeten breed en werkelijk stroomt het water daarin met zeer groote snelheid, doch desniettegenstaande werd eene daarop geworpen ligte lavaplaat slechts eenige schreden ver op zijne spiegelende oppervlakte gedragen.

Laat in den avond bereikten wij het fort weder. Het scheen als of het noodlot zelf de aan den dag gelegde volharding beloonen wilde, want een van Concepcion gekomen officier had, toen hij mij niet in Antuco aantrof, tot mijne niet geringe vreugde, mij hier heen gevolgd en overhandigde mij een pakket met brieven uit het verre vaderland en Londensche nieuwspapieren, die een vriend te Valparaiso mij toezond. Na vijf maanden lang verstoken te zijn geweest van alle berigten uit het overige der wereld, verschaften zij mij een genot, dat moeijelijk te beschrijven is. De officieren namen hartelijk deel aan de onverwachte vreugd, en ook de ruwe soldaten verzamelden zich met ongewone vriendelijkheid rondom onze groep, want in zulk een garnizoen, aan het uiterste einde der beschaafde wereld, heerscht niet de strenge afscheiding, die in Europa noodig is. De soldaat sluit zich in zulke plaatsen meer aan zijnen bevelhebber aan, en vele beperkingen vallen weg, hetgeen een vriend van strenge krijgstucht in ons werelddeel bezwaarlijk zoude goedkeuren. Binnen de beschermende palissaden en in het gevoel van veiligheid, hetwelk de uitgezette schildwachten verschafte, scheen de terugkeer onder menschen eene dubbele bekoorlijkheid te bezitten, en wij hadden ditmaal geene behoefte aan de verhalen van den begunstigden trommelslager in Sinbad's stijl, waarmede hij ons menigen avond den tijd gekort had. Uit den spaarzamen voorraad van wijn werd een warme drank bereid en de middernacht trof ons nog aan in gesprek over de wonderen des kraters, waarvan niemand hunner een regt denkbeeld had.

De beklimming van den vulkaan had mij, dewijl men meende, dat daartoe een meer dan gewone moed vereischt werd, veel hooger in de achting dezer half naakte krijgslieden doen stijgen. Onder de land-