Pagina:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu/291

Deze pagina is proefgelezen
265
DE HONIGDAUW.

paring plaats, en de wijfjes leggen daarna eijeren, die meerendeels den winter overblijven, en waaruit in het volgende gunstige jaargetijde wederom enkel vrouwelijke bladluizen te voorschijn komen, met welke de kringloop der elkander opvolgende teelten op nieuw begint. Voorwaar een der opmerkelijkste wijzen van vermenigvuldiging, welke de dierenwereld ons aanbiedt! Eerst aan de laatste jaren was het voorbehouden, daaraan eenige overeenkomstige gevallen toe te voegen, waardoor tevens de physiologische beteekenis dezer voortplantingswijze duidelijker is geworden, doch wij willen ons daarin thans niet verdiepen. De eenige reden, waarom zij hier vermeld werd, is dat zij rekenschap geeft van het ontstaan van het verbazend aantal bladluizen, die, soms digt opeengedrongen, bladeren en bladstelen bedekken. De waarnemingen van bonnet ten grondslag leggende, berekende schrank, dat uit ééne bladluismoeder aan het einde des zomers 23,740,000 bladluizen kunnen ontstaan, en, daar bonnet slechts negen generatiën waarnam en anderen bij andere soorten een nog grooter getal hebben waargenomen, zoo blijkt dat dit cijfer tot billioenen stijgen kan.

Intusschen spreekt het wel van zelf, dat dit nimmer in de werkelijkheid tot stand komt. Ware zulks het geval, dan zouden alle planten over de geheele aarde weldra met bladluizen overdekt zijn, en het zoude niet lang duren of het plantenbekleedsel onzer planeet ware vernietigd, dien ten gevolge alle plantetende dieren tot den hongerdood gedoemd, en evenzoo de vleeschetende, die zich op hunne beurt met deze voeden. Eene enkele bladluis zoude den ondergang van al wat leeft te weeg hebben gebragt!

In de natuur is echter alles in de schoonste harmonie, waardoor het evenwigt bewaard en telkens, waar het gevaar loopt verbroken te worden, weder hersteld wordt. Zij heeft de bladluizen met zulk een verwonderingwekkend vermenigvuldigingsvermogen toegerust, omdat alleen daardoor de soort kon bewaard en voor geheele uitdelging behoed worden. Er zijn weinige dieren, die aan de vervolging van zoovele vijanden zijn blootgesteld, waaraan zij niet den minsten weerstand vermogen te bieden, en welke zij, althans de ongevleugelden, evenmin vermogen te ontvlieden. Zij zijn een welkom voedsel voor de maskers van verschillende soorten van tweevleugelige insekten, voor die der parel- en floersvliegen (Hemerobius, Syrphus), voor eenige soorten