Pagina:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu/305

Deze pagina is proefgelezen
277
DE VESUVIUS EN ZIJNE GESCHIEDENIS.

Deze kraters vertoonen ons ieder weder een vulkaan in het klein. Terwijl in den ouden Somma-krater de nieuwe Vesuvius zich verheft, zoo vertoonen ons deze kraters ook nieuwe, werkende kegels, waaruit rook, vlammen en steenen uitgeworpen worden, en langzaam de lava afvloeit, den krater al meer en meer opvullende; zoo zal het voortgaan, tot dat de lava over den rand des kraters heenvloeit, en zich als een stroom van den kegel afstort, of wel eene groote eruptie zal den krater met reuzenkracht ledigen en eene ontzaggelijke diepte van vele honderde voeten achterlaten.

Wat wij aan den Somma in het groot zagen, de lavabanken, afwisselende met conglomeraten, doorsneden van vertikale gangen, dat zien wij ook hier in het klein.

Wanneer wij ons aan de pas bekoelde korst toevertrouwen, die, sterker dan ijs, de gloeijende lava bedekt, dan kunnen wij over den bodem van den krater tot den kleinen kegel naderen, en hem zelfs bestijgen, om de uitwerpingen van rook en steenen en de uitstroomende lava van nabij waar te nemen. Daar de opening niet geheel vertikaal is, vallen namelijk de steenen altijd slechts aan eene zijde van den kegel neder. De uitgeworpen steenen zijn nu eens sinterachtig, dan rond en ovaal, meer eigenlijke vulkanische bommen, waarover later meer.

Een toestand van halve werkzaamheid, zooals wij dien, op het oogenblik dat wij hem bezoeken, daar aantreffen, is aan den Vesuvius zeer gewoon. Nu eens zijn de explosiën uit de kleine kegels sterker, dan weder zwakker; na sterken regen stijgt meer rook op, en zijn de werkingen heviger, want het regenwater, dat op den uit asch, losse sinters en lava's zaamgestelden, met veel spleten doortogen berg nedervalt, vloeit weinig naar den voet af, maar dringt in den berg in, en stuwt, in damp veranderd, de lava omhoog of stijgt in geweldige rookzuilen uit den krater op.

Maar wanneer eene groote uitbarsting ophanden is, dan worden de verschijnselen geheel anders. Aardbevingen, onderaardsche donder, soms van stormen vergezeld, verkondigen de naderende uitbarsting. De bronnen en beeken aan den voet van den vulkaan verdroogen, waarschijnlijk door gevormde spleten verzwolgen. Die spleten doen