Pagina:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu/310

Deze pagina is proefgelezen
282
DE VESUVIUS EN ZIJNE GESCHIEDENIS.

dringen en vandaar kostbaarheden te ontrooven. Eerst allengs werd de stad onder eene bedding van 20 voet tuf begraven, om zestien eeuwen in den schoot der aarde te rusten.

Wat de veranderingen betreft, die de Vesuvius bij deze uitbarsting geleden heeft, zoo kunnen wij uit de oude schrijvers opmaken, dat een aanmerkelijk stuk van de Somma, die toen een eenigzins horizontaal plateau vormde, is afgeworpen; dat een diepe krater zich daar binnen heeft gevormd, met een eruptiekegel, den tegenwoordigen Vesuvius. — Misschien vloeiden wel, zooals later in de 17de eeuw, waterstroomen uit den vurigen kolk omlaag en voerden een deel van de Somma-tuffen aan de zijde der zee weg; immers gelijken de tutfen, die Pompeji overdekken, geheel en al op de Sommatuffen. Maar het blijft in dezen bij waarschijnlijkheden;—volkomen zekerheid is onmogelijk.

Na deze gebeurtenis wordt in de geschiedenis herhaaldelijk melding gemaakt van uitbarstingen van den Vesuvius, namelijk in de jaren 203, 472, 512, 685, 993, 1036. Na dezen tijd rustte de vulkaan, althans zijn de opgaven twijfelachtig, en schijnt ten minste uit den top geen eruptie meer gevolgd te zijn, vóór zijne herleving in 1631. Dit bewijst de opgave, dat in 1619 de krater een diep dal vormde, met een waterkom in 't midden, begroeid met eiken, esschen en andere meer dan honderd jaren oude boomen. Bedenkt men nu, hoe lang een vulkaan rusten moet, vóórdat de dampontwikkeling ophoudt en er boomen kunnen ontspruiten, dan zal men den grond van deze meening inzien.

Ondertusschen had het vulkanisme weder een anderen uitweg gevonden. In 1302 ontsprong op Ischia uit den Epomeo een lavastroom, die in lengte, breedte en diepte met de grootste stroomen kan vergeleken worden. In het jaar 1538 ontstond in de Phlegraeische velden, onder hevige aardbevingen en aschregens, een nieuwe vulkaan, de Monte Nuovo, die evenwel slechts eenmaal zijne krachten uitte. Over dezen Monte Nuovo is veel gestreden, of hij eensklaps verrezen zij, of dat daar reeds eene hoogte bestond; zooveel is zeker, dat gedurende zijn ontstaan de Vesuvius geheel rustig was; zoodat wij hem als den plaatsvervanger van den Vesuvius kunnen beschouwen.

In 1631 zagen jagers uit Ottajano den krater geheel opgevuld, en