Pagina:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu/331

Deze pagina is proefgelezen
303
KLIMOP.

meer of minder dik is. Aldus toebereid en geplaatst, zullen deze touwen aan het klimop een steun aanbieden, waaraan dit zich gretig zal vastklemmen, en waarlangs het welig en snel zal voortgroeijen, mits men het in het eerste jaar te gemoet komt door het vast te hechten met teenen en bandjes, die men rondwindt, naarmate de wasdom toeneemt. Van tijd tot tijd moet men ook de uitspruitsels wegknippen, hetzij aan den top van den hoofdstengel om zijtakken te doen ontstaan, hetzij aan dien der zijtakken, om deze den afgeronden en in het midden gezwollen vorm te geven, die het eigenaardige der groene slingers uitmaakt." _ Hierop volgt een ander recept, waarin dezelfde schrijver ons mededeelt, hoe wij de slingers geheel los en op zichzelve kunnen gebruiken, waar wij verkiezen en ze tevens hunne frischheid en groene kleur zeer lang laten behouden. Wij moeten dan namelijk klimop en touw bij den grond afsnijden, de wond goed met entwas bedekken en verder den lossen slinger aan beide einden van haakjes voorzien, om hem op te hangen. Op deze wijze kunnen wij groene tenten, prieëlen en meiboomen binnen korten tijd opslaan, waar wij verkiezen.

Maar wat hebben nu deze vervelende recepten te maken met het „wezen" des klimops? Wat zeggen deze kinderachtige kunstjes in een bewijs, dat gij zoo gewigtig acht? Ach, lieve grijsaard, verwijt mij mets meer; ik verwijt mijzelven reeds genoeg; ik sta zelf verbaasd, dat ik zulk eene lange, vervelende bladzijde heb nageschreven! Ik kon den slaap naauwelijks uit mijne oogen houden. Maar—ik moest het doen om een loopje te hebben tot den grooten sprong. Ja zelfs zal ik nog iets naschrijven; maar heb geduld: dit is het laatste loopje, en met één sprong zijn we, waar we zijn willen!

Hoor nu aandachtig: nu komt het er op aan. Herinner u daarbij, wat ik in mijne beschouwing van het Leven der Planten als Natuurdrift gezegd heb aangaande het eigene en karakteristieke leven van elke plant:

„Bij het ophangen van de touwen, „gaat de heer millot-brülé voort, „moet men eene bijzondere voorzorg niet vergeten; namelijk om ze met te digt te plaatsen bij muren, oude boomstammen of elk ander ligchaam, dat een overwegenden invloed op het klimop uitoefent, want