Pagina:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu/391

Deze pagina is proefgelezen
361
TOESTAND DES LANDS.

vee met de helft, soms met drie vijfde, hebben moeten verminderen, omdat het hun ontbrak aan de noodzakelijkste elementen tot onderhoud der dieren. Terwijl hunne armoede met het gebrek aan bosch toenam, hebben de inwoners, daar zij in de onmogelijkheid waren om hunne schapen een jaar lang te voeden, zich genoodzaakt gezien, om hunne weiden aan veehoeders uit de Rhóne-vlakte en zelfs uit Piemont te verhuren. Voor een gering hoofdgeld staan de gemeenten aan dezen het gebruik hunner bezittingen af, welke nu, in het warme jaargetijde, door groote kudden schapen ongeloofelijk snel verwoest worden. De planten, groot en klein, verdwijnen, zelfs op de gemeenteweiden, die men tracht te sparen. De schade is des te grooter, daar de bergstroomen den bodem veroveren en doorwroeten, zoodra hij van hout beroofd is.

Deze ellende, zegt blanqui, heeft thans haar toppunt bereikt, en men moet ten spoedigste trachten, daaraan paal en perk te stellen, wanneer niet de laatste bewoner met den laatsten boom verdwijnen zal. Wie de valleijen van Barcelonnette, van Embrun, van Verdon, en van Devoluy, het steenachtig Arabie der Alpen, bezocht heeft, die weet, dat geen tijd meer verloren moet worden, of binnen vijftig jaren zal Frankrijk van Piemont gescheiden zijn als Egypte van Syrie—door eene woestijn. Treurig is de aanblik, dien deze streken vertoonen. De schitterend heldere Alpenhemel van Embrun, van Gap, van Barcelonnette en van Digne, die maanden lang geheel onbewolkt is, brengt eene droogte te weeg, wier eindelooze duur slechts door stortregens als in de keerkringsgewesten wordt afgebroken. De door misbruik van beweiding en door uitroeijing van bosch van alle gras en struiken beroofde bodem, die noch zamenhang, noch steunpunt meer heeft, stort zich dan in het dal neder, nu eens in den vorm van zwarte, gele of roodachtige lava, dan weder in stroomen van rolsteenen en zelfs van reusachtige rotsblokken, die met vreesselijk geraas voortspringen en in hun wilden loop de wonderbaarste verwoestingen aanrigten. Vreeselijk verlaten en doodsch is het beeld van het aldus geteisterde land. Groote massa's van rotsblokken, vele meters dik, zijn van rondom over de vlakte verstrooid; zij storten zich op de hoogste boomen en bedekken deze tot aan hunne kruinen, zoodat