Pagina:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu/393

Deze pagina is proefgelezen
363
TOESTAND DES LANDS.

Mijne schets van den invloed der bosschen is ten einde, en ik zou mijne taak als volbragt kunnen beschouwen, wanneer mij niet de vraag ter beantwoording bleef, welke de toepassing zij van dit alles op Nederland, welk belang wij bewoners eener vlakke streek daarbij kunnen hebben. Hierover nog een enkel woord.

Het is waar, Nederland is een vlak land, en hetzij er bosschen bij ons gevonden worden of niet, de zoo even geschetste verwoestingen der bergstroomen zijn bij ons niet te duchten. Het valt ook niet te ontkennen, dat de invloed der wouden veel magtiger is in een bergachtig land dan op eene uitgestrekte vlakte. Aan de steile helling des bergs sleept het verlies van den boom dat van den grond met zich mede, waarvan op de vlakte natuurlijk geen sprake zijn kan.

Maar is daarom het belang der bosschen in vlakke landen, en in ons vaderland in het bijzonder gering te schatten? Verre van dien. Ook zelfs wanneer Nederland geen onmiddellijk belang scheen te hebben bij het aanwezen van groote bosschen, dun nog verdient hun invloed in het buitenland onze aandacht, omdat ook wij in meer of minder mate de gevolgen ondervinden van wat zij elders te weeg brengen. Immers de rivieren, die ons land doorsnijden, ontvangen hare wateren van den regen en de sneeuw der berglanden. De rijzing en val van haar waterspiegel zal grootendeels afhangen van den toevoer van boven. Kan het ons dan onverschillig zijn, of de beken en riviertjes, die onze stroomen moeten voeden, geregeld elk hun deel aanbrengen, dan wel een tijd lang droog zijn, om vervolgens plotseling tot eene schrikbarende hoogte te zwellen? Kan het ons onverschillig zijn, dat onze rivieren nu eens zoo weinig water bevatten, dat alle scheepvaart gestremd is, en dan weder plotseling zoo veel vocht moeten afvoeren, dat zij op ongelegen tijden buiten hare oevers treden en den hooibouw verijdelen? Dat nu de bosschen een grooten invloed hebben op die veranderingen van den waterspiegel der rivieren, dit hebben nog onlangs de overstroomingen van de Rhône in 1856 maar al te wel geleerd. De bekende brief van den Keizer der Franschen moge daarover het stilzwijgen bewaard hebben, het is genoegzaam gebleken, dat eene der hoofdoorzaken van de genoemde verwoestingen in het wegkappen der bosschen op de hoogten moet gezocht worden.