Pagina:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu/462

Deze pagina is proefgelezen
44
ALBUM DER NATUUR.

dat eene en dezelfde vogelsoort hare wijze van voeding verandert, naarmate van haren ouderdom en het jaargetijde. De meeste graanetende vogelen zijn insektenetend in hunne jeugd, en worden dit op nieuw op volwassen ouderdom gedurende elken broeitijd. Men neemt dit zelfs waar bij die soorten, die in het voorjaar en het begin van den zomer de knoppen en jonge bladen verslinden. Zelfs de wezenlijk vleeschetende roofvogels voegen, naar omstandigheden, insekten bij hun voedsel.—Over 't algemeen zijn de vogels veel meer nuttig dan schadelijk voor onze oogsten, en zelfs wordt het nadeel, dat de graanetende vogelen ons op zekere tijden toebrengen, bij de meesten vergoed door de vernieling van insekten op andere tijden. Het is dus van belang deze soorten niet uit te roeijen, maar alleen ze van de oogsten verwijderd te houden, gedurende den tijd wanneer zij er schade aan kunnen toebrengen. Hare uitroeijing zou de ontwikkeling van eene menigte insekten, die veel schadelijker voor den landbouw zijn, zonder tegenwigt laten. (Comptes rendus Tom. XLVl, pag. 156 en 322.)

D.L.
 

Vrees der dieren bij aardbevingen.—Naar aanleiding van een berigt van den heer de castelnau, consul van Frankrijk aan de Kaap de Goede Hoop, aangaande schokken eener aardbeving, die aldaar den 14 Augustus 1857 gevoeld zijn, en gedurende welke de dieren evenveel ontzetting bleken te ondervinden als de menschen, deelde boussingault mede, dat hij den 16 Nov. 1827 in Zuid-Amerika eene aardschudding bijwoonde, die naarzijne schatting 5 à 6 minuten duurde, gedurende welke de dieren, die hij waarnemen kon, geene de minste vrees betoonden. "Terwijl de grond schudde", zegt B., "had ik gelegenheid verscheidene dieren waar te nemen, die zich op een grasveld nabij mijne woning bevonden; twee geiten bleven op het gras liggen, twee muilezels gingen voort met grazen alsof de grond onbewegelijk was. Eene kat maakte van de wanorde in de keuken gebruik om zich van een stuk vleesch meester te maken."

Zonder het berigt van de castelnau en de berigten van andere waarnemers in twijfel te trekken, blijkt uit deze mededeeling van boussingault, dat men niet in het algemeen stellen kan, dat de dieren voor aardbevingen bevreesd zijn, en dat het van tot dusver onbekende omstandigheden moet afhangen, of dat natuurverschijnsel hun al dan niet vrees aanjaagt. (Compt. rend. Tom. XLVI, pag. 248.)

D.L.
 

Geographische verbreiding der Hottentotten-stammen.—De Hottentotten, wier taal zich met den groeten Zuid-Afrikaanschen taalstam in geen verband laat brengen, zijn tot dusver een ethnologisch raadsel geweest. Thans is men tot zóóver gevorderd, dat men vermoedt dat de Hottentotten tot den grooten taalstam behooren, welke de Indo-Germanen, de Semito-Afrikanen en de Egyptenaren omvat, —