Pagina:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu/594

Deze pagina is proefgelezen
66
OVER DE EIGENSCHAPPEN, DOOR WELKE ZICH DE MENSCH, NAAR

mensch, die massa is, ook over 't algemeen zijn verstandelijke aanleg des te grooter zijn zal,—en neemt men dan in aanmerking dat, gelijk wij vernamen, bij den, ten opzigte van het zieleleven, zoo oneindig ver boven alle dieren verhevenen mensch werkelijk de groote hersenen, bepaaldelijk de voorste kwabben daarvan, een grooteren omvang bezitten, dan zelfs bij de meest ontwikkelde zoogdieren het geval is, dan zou men bij den eersten opslag wel genegen kunnen zijn om aan dien meerderen omvang der groote hersenen bij den mensch eene zeer hooge waarde toe te kennen als onderscheidend kenmerk. Dat daaraan, als zoodanig, waarde toe te kennen is, lijdt geen twijfel; maar toch vormt dat kenmerk, op zich zelf beschouwd, geen wezenlijk en volstrekt verschil tusschen den mensch ter eene en de dieren ter andere zijde. Wij hebben immers gezien, dat onder de apen de anthropomorphen, die ten aanzien van den omvang en den bouw der groote hersenen van alle dieren den mensch het naast komen[1], in dat zelfde opzigt zelve weder verre verheven zijn boven de lagere apen en welke dieren men wil, zelfs nog veel verder, dan de mensch het is boven de anthropomorphen. Daarbij komt de omstandigheid, dat het verschil in verstandelijken aanleg tusschen de anthropomorphen en de overige dieren zeer gering is, vergeleken met het groote verschil in dat opzigt tusschen de anthropomorphen en den mensch, en dat dus de meerdere ontwikkeling der groote hersenen bij den mensch volstrekt niet kan beschouwd worden als eenigermate evenredig aan den hoogeren rang, dien de mensch, als verstandelijk wezen, in de schepping boven de dieren bekleedt[2]. Dit ontneemt zeker aan den meerderen omvang der groote hersenen bij den mensch veel van zijn gewigt, als wezenlijk punt van verschil tusschen den mensch en de dieren. Doch het is

  1. Evenzeer als de omvang, staan ook het gewigt der groote hersenen, het aantal der kronkelingen op hare oppervlakte en de diepte der groeven tusschen deze laatste, in evenredigheid tot de mate der verstandelijke eigenschappen. Ik spreek hier echter alleen van den omvang, omdat door dezen de omvang des schedels, het uitwendige teeken der hoogere verstandelijke volkomenheid, wordt bepaald.
  2. Teregt merkt is. geoffroy saint-hilaire aan (t.a.p. pag. 252), dat het betrekkelijk gering verschil in ligchamelijk zamenstel tusschen den mensch en de zoogdieren geenszins iets voor den mensch vernederends in heeft, noch ook steun verleent aan materialistische opvattingen, daar het integendeel juist de verbazende meerderheid van den mensch boven de dieren des te meer doet uitkomen. — Pouchet (t.a.p. pag. 17) weet, ter oplossing van de zwarigheid, dat de meerdere ontwikkeling der hersenen bij den mensch geene voldoende reden oplevert voor de