Pagina:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu/602

Deze pagina is proefgelezen
74
OVER DE EIGENSCHAPPEN, DOOR WELKE ZICH DE MENSCH, NAAR

Dit onderscheid valt nog meer in het oog, wanneer men niet beenige hoofden, hoofden van geraamten, maar de nog met de zachte deelen omkleede hoofden, vooral van levende dieren, met dat van den mensch vergelijkt. Vooral loopt dan het dierlijke in de uitdrukking des gelaats bij de hoogere apen zeer in het oog. Men beschouwe slechts de afbeeldingen van den gorilla en den orang-oetan, die in den jaargang 1854 van dit Album voorkomen, of, zoo men daartoe gelegenheid heeft, de afbeeldingen van gorilla-koppen, en die van den kop van eenen chimpanzee, welke voorkomen in de Annales du Muséum d'histoire naturelle, Tom. X. Men denke zich daarnaast het leelijkste negerhoofd, en men zal daarin, ja, eenen lageren menschelijken typus ontwaren, die juist daarom, omdat hij een lagere is, eenigermate tot den dierlijken typus naderen moet. Maar men zal dat negerhoofd tevens moeten erkennen voor het hoofd van eenen mensch, en, wanneer men er naast plaatst,—niet het hoofd van den apollo van Belvédère, of het portret van eenen door buitengewone geestvermogens uitstekenden Europeër,—maar eene afbeelding bij voorbeeld van een zich noch door bijzondere intellectuele vatbaarheid, noch door schoonheid onderscheidenden man uit de onbeschaafde klasse van eene tot den Caucasischen stam behoorende natie, dan zal men moeten toegeven, dat het verschil tusschen den Neger en den Caucasiër wél beschouwd, van geene beteekenis is, vergeleken met het verschil tusschen den neger en de hoogere aapsoorten. De vorm van den neus, die zelfs bij die natiën, welke zich door de platheid daarvan onderscheiden, b.v. bij de Hottentotten, toch er geheel anders uitziet dan bij de dieren, de gedaante der oogspleet, waarop ik vroeger opmerkzaam maakte, de kleinheid der mondopening naar gelang van de grootte des gelaats, het gemis van uitstekende hoektanden, het vooruitsteken van de kin, en, wat ik hier in de laatste plaats noem, maar daarom niet als het minst gewigtige aanmerk, de bewegelijkheid en veranderlijkheid des gelaats, waardoor dat gelaat—juist het meest dierlijke gedeelte des hoofds,—bij den mensch toch met zijn inwendig leven in verband treedt, en de uitwendige uitdrukking vertoont van zijnen inwendigen gemoedstoestand,—deze zijn de voorname eigenschappen, die, behalve de aangevoerde eigenaardigheden van het beenige menschelijke hoofd, het aangezigt des menschen maken tot