Pagina:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu/61

Deze pagina is proefgelezen
41
BEWERKTUIGING OP DE OPPERVLAKTE ONZER PLANEET.

van die voorstelling grootendeels terug gekomen, hoezeer zij, mijns oordeels, te ver gaan, welke die plotselinge omkeeringen geheel willen ontkennen, daar deze toch in wijduitgestrekte streken van onzen aardbol herhaalde malen moeten hebben plaats gehad, bij het opheffen der gebergten uit den schoot der aarde.

Meerdere moeijelijkheid heeft het daarentegen om zich met de voorstelling te bevredigen, dat er eene wording, een herhaald ontstaan van nieuwe planten- en dierensoorten plaats had, die de vorige uitgestorvene bewerktuigde wezens vervingen. De ervaring levert ons niets op 't geen met deze nieuwe schepping kan worden vergeleken. Men ontdekt wel voortdurend vroeger onbekende soorten, maar niets noopt ons om aan te nemen, dat zij voor die ontdekking niet bestonden, evenmin als Amerika later uit den Oceaan zou zijn opgerezen dan Europa, omdat het eerst in de vijftiende eeuw door columbus ontdekt werd. Er is echter eene kracht der waarheid, die zich door de moeijelijkheid om haar in onze voorstelling op te nemen, niet kan laten bedwingen; en in natuurkundige wetenschappen moet men niet in de eerste plaats vragen, hoe wij iets verklaren kunnen, maar wat wij op gezag der ervaring als waar hebben aan te nemen. Als zoodanig eene, door de waarneming wel gestaafde daadzaak moeten wij het ontstaan van opeenvolgende nieuwe soorten van planten en dieren op de oppervlakte onzer aarde beschouwen.

Wanneer wij geenen onbepaalden duur aan onze aarde toeschrijven, wanneer wij niet meenen, dat zij eeuwig heeft bestaan, maar eenmaal geworden is, dan moeten wij noodzakelijk ook een eerste begin van de bewerktuigde wezens aannemen, die op hare oppervlakte groeijen en leven. Is de wijze van ontstaan dezer bewerktuigde voorwerpen, met andere woorden de schepping van levende wezens, voor ons beperkt verstand onverklaarbaar, die onbegrijpelijkheid kan ons toch niet ontslaan van de erkenning, dat dit eerste ontstaan eenmaal heeft plaats gehad. De geologie, het onderzoek der berglagen en de daardoor aan het licht gebragte overblijfsels van vroegere planten en dieren mogen ons overtuigd hebben, dat de aarde ouder is dan zestig eeuwen, een bewijs, dat zij eeuwig heeft bestaan, kan zij ons niet opleveren ').

[1]

  1. Evenmin als de Astronomie door letterlijke opvatting der Bijbelsche uitdrukkin-