Pagina:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu/659

Deze pagina is proefgelezen
131
DE HONIGDAUW.

Zoo vond ik daar eenen hamer liggen, welks houten steel zeer kleverig was, en op welks ijzeren gedeelte de droppelen duidelijk zigtbaar waren. Bladluizen waren niet aanwezig."

Wiegmann zelf vond in 1822, evenzoo in het begin van Junij, op eenen namiddag, eene ongeveer een halve morgen[1] groote afdeeling van zijnen tuin geheel met honigdauw bedekt. Niet alleen alle planten, zelfs de bitterste, alsem en gezegende distel niet uitgezonderd, maar ook alle nommerhouten, tuinbanken en de steel eener spade, die in den grond was blijven staan, alles scheen gelijkmatig met eene kleverige, zoetsmakende vloeistof overtogen te zijn, en buiten eene zekere grens was geen spoor daarvan meer te bespeuren. Den ganschen dag had men geenen regen bemerkt, en de grond van den tuin was volkomen droog.

In de oekonomische Neuigheiten van 1819 verzekert a.s.v. in Hongarije, dat honigdauw op zoele, drukkende morgens uit den hemel nedervalt, eene prikkeling te weeg brengt in het gelaat en op de handen en reeds voor zonsopgang eene zekere onrust veroorzaakt bij de insekten, die buitengewoon brommend rondvliegen.

Deze en soortgelijke waarnemingen laten zich, naar mijn inzien, slechts op tweederlei wijze verklaren, of dat honigdauw van hooger staande boomen enz. afvalt, of dat vliegende bladluizen, gelijk in de waarneming van den Heer harting, die stof ontlasten. Ook hier in Groningen had ik, op den 15den Julij van dit jaar (1858), een overgroot aantal vliegende bladluizen gezien, zoodat men ze in bijna iedere straat dezer stad elk oogenblik op de kleederen enz. zag nedervallen. Ik had de talrijkheid dezer diertjes in verband gebragt met de vrij algemeene mislukking van zomer-koolzaad, gele mostaard, koolrapen en onderscheidene soorten van kool, die op de meeste plaatsen in de provincie Groningen door de bladluis bijna geheel vernield waren. Dat deze bladluizen in de vlugt eene honigachtige stof lieten nedervallen, heb ik niet opgemerkt, maar had er ook niet op gelet daar ik de gevleugelde bladluizen slechts ieder oogenblik op mijne lakensche kleederen zag nedervallen.

  1. Een Duitsche morgen kan aan een ¼ bunder omtrent gelijk gesteld worden.