Pagina:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu/79

Deze pagina is proefgelezen
53
DE KAMELEON.

stelt een buitengewoon groot gezigtsveld te omvatten en zoo des te beter op zijne prooi te loeren.

Het ligchaam is betrekkelijk kort, hoog en van ter zijde zamengedrukt. Zoowel langs den rug als langs de middellijn van den buik loopt een soort van kam, die zich van onderen over de als een zak naar beneden hangende keel tot aan de onderlip uitstrekt. Achterwaarts gaat het ligchaam als het ware plotseling over in den rolronden, zeer langen staart, welker lengte die van het ligchaam overtreft. Deze staart is voor den Kameleon een hoogst gewigtig werktuig. Het is namelijk een grijpstaart, gelijkende naar dien, waarvan de slingerapen en eenige andere zoogdieren zich bedienen, om zich op de takken der boomen, waarop zij hun leven doorbrengen, vast te houden. Onder alle overige kruipende dieren, die van pooten voorzien zijn, is de Kameleon het eenige, dat van de natuur dit hulpmiddel ontvangen heeft. Alleen bij vele slangen treffen wij mede een dergelijken grijpstaart aan, die tot hetzelfde oogmerk dient.

Doch is de Kameleon werkelijk een "kruipend dier?" zullen welligt sommige lezers vragen. Inderdaad, indien wij tot de klasse van dieren, die het eerst van onzen lyonet den naam van Reptilien of Kruipende dieren ontving, alleen zulke dieren bragten, die werkelijk kruipen, dan zoude daaruit een groot aantal moeten verwijderd worden, die thans door alle dierkundigen onder dezen algemeenen naam begrepen worden, en wel in de allereerste plaats de Kameleon, die nimmer kruipt en ook door zijne geheele bewerktuiging daartoe buiten staat is. Het dier is daartoe veel te hoog op de pooten en gelijkt in dit opzigt werkelijk meer op een zoogdier dan op andere Reptilien. Doch evenmin is de Kameleon in staat om op den grond behoorlijk te loopen. Ziehier de wijze waarop hij zich voortbeweegt, wanneer hij zich op vlakken bodem bevindt. Hij ligt eerst een der voorpooten op, maar alvorens dien neer te zetten, houdt hij hem eenigen tijd in de lucht al rondtastende, als zocht hij naar een plekje dat een goed steunpunt aanbiedt. Eindelijk zet hij den voet op den grond en ligt dan zeer langzaam den kruiselings daartegenover geplaatsten achterpoot op, vervolgens even langzaam en weder rondtastende den anderen voorpoot en den tweeden achterpoot. Zoo beweegt het dier zich met eene be-