Pagina:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu/902

Deze pagina is proefgelezen
370
IETS OVER REUZEN.

heid meer vermoed dan aangewezen, toen hij beweerde, dat de grootte van den mensch, zooals zij is en niet anders, in overeenstemming is met die van het paard, dat hem draagt, en den boom, die hem het hout voor zijne woning oplevert. Zulk eene bewering heeft, wij zeggen het met alle achting voor een groot man, iets belagchelijks; want er is geen enkele wenk in de natuurlijke historie van het paard of van den mensch, dat het eerste bestemd zou zijn tot lastdier voor den laatste. Ware de mensch driemalen zoo groot, dan zou men met hetzelfde regt kunnen zeggen, dat de zoo leerzame olifant blijkbaar bestaat om zijn knecht en zijn lastdier tevens te zijn, gelijk dan ook pomponius mela in goede ernst verhaalt, dat er in Indië menschen wonen, zoo groot, dat zij zich met hetzelfde gemak van olifanten bedienen, als wij van paarden[1]. En was de mensch zoo groot als eene kinderpop, dan zou eene voorbarige teleologie kunnen beweren, dat hem eene snelle verplaatsing gemakkelijk werd gemaakt door de omstandigheid, dat zijne grootte er juist op is ingerigt om een haas te bestijgen en er mede over de velden te vliegen.

Maar de zaak zelve, dat de grootte van den mensch in volmaakte harmonie staat met zijne plaats in de schepping, zal er wel niet minder waar om zijn, dat het der wetenschap nog niet is gelukt, hare bewijsgronden na te sporen; en aan deze zal het, des twijfelen we niet, bij haren rusteloozen voortgang eenmaal gelukken, hieromtrent tot eene zekerheid te geraken, bij welke these wordt hetgeen nu nog slechts hypothese is.

Hetgeen die hypothese aannemelijk helpt maken, is naar onze overtuiging dit, dat slechts bij uitzondering de individuen afwijken van de middelbare maat, die wij geregtigd zijn voor de soort aan te nemen. Dat gezonde, welgemaakte individuen zich ver daarboven verheffen of ver daarbeneden afdalen, behoort tot de zeldzaamheden; maar dat die uitzonderingen bestaan, bewijst dat zij niet liggen buiten het bereik der voortbrengingskracht. Met andere woorden: van twee ouderenparen, beiden van gewone statuur, is er een, dat onder zijne kinderen, overigens ook van gewonen wasdom, één heeft, hetwelk tot

  1. De situ orbis, Lib. III, cap. 7.