Pagina:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu/911

Deze pagina is proefgelezen
379
IETS OVER REUZEN.

vertaling van van der palm zegt: "waarom zijn degenen, die gij nu baart, niet gelijk aan degenen, die gij vroeger baardet, maar minder van grootte? Zoo zal zij zelve (de barende) u antwoorden: anderen zijn het, die in de kracht der jeugd geboren zijn; anderen, die tegen den tijd des ouderdoms, als de kracht der moederschoot afneemt, geboren worden. Gij hebt dus slechts op te letten, hoe gij lieden minder in grootte zijt, dan die vóór u geweest zijn. En die na u zullen nog kleiner zijn, dan gij."

Het ontkennen eener voortgaande afneming van 's menschen ligchaamsgrootte, in verband tot de bewering, dat de gestalte van den mensch eene bepaalde, met de huishouding der natuur overeenkomende maat heeft, sluit echter in geenen deele in, dat het oudste menschdom het latere niet in forschen en zwaren, ook grooteren ligchaamsbouw kan hebben te boven gegaan. Indien uit het verhaal aangaande den zondvloed[1] blijkt, dat de jaren in dat oude gedenkstuk twaalf maanmaanden bevatten en de leeftijd der menschen vele honderden van die jaren duurde, is er niets onwaarschijnlijks in, dat zij ook krachtiger waren van ligchaamsbouw en grooter van gestalte, al maakt men hen niet tot die Titans, welke met bergen kaatsten. Onwillekeurig ook wordt men gedrongen aan een buitengewoon krachtig menschenras te denken, als men het oog slaat op gewrochten, die vooral in eenen tijd, waarin het aan de werktuigkundige hulpmiddelen van later eeuwen ontbrak, eene inspanning van menschelijke krachten moeten hebben geëischt, van welke wij ons bezwaarlijk een denkbeeld maken kunnen. Men denke slechts aan de hoogte, tot welke de topsteenen der Egyptische piramiden hebben moeten worden opgevoerd, aan de Hunebedden in Drenthe, de Stonehenges in Engeland en soortgelijke opeenstapelingen van verbazend groote steenen. In die onderstelling erlangen dan ook de overleveringen aangaande een reuzengeslacht eene bevredigende beteekenis. Menschen, dubbel zoo groot als wij zijn, achten we tegen de natuur van den mensch als integrerend deel van het aardsche organisme, en wezens der verbeelding zijn zeer zeker de vormen, waarin de Nephilim en Rephaïm, die geweldenaars op aarde,

  1. Gen. VII, VIII.