Pagina:Album der Natuur 1860.djvu/231

Deze pagina is proefgelezen
205
DE KWABAAL-VERWARRING.

en de grootte van een hennipzaad hebben. Naar de grootte van de magge schijnt het getal der jongen te verschillen, die, welke ik onderzocht heb, hadden ongeveer 80 jongen, ofschoon ekström dit getal op 100 tot 200 stelt. Men zegt, dat als men eene levende magge opent en de jongen in zeewater doet, zij terstond beginnen te zwemmen en een uur of vijf in het leven blijven. Als men op den buik van eene doode magge drukt, komen die jongen er een voor een uit en altijd met den kop vooruit, zelfs al heeft men het voorwerp eenigen tijd op liquor bewaard. Die jongen zegt men, dat uitmuntend geschikt zijn om daarin den omloop van het bloed waar te nemen, door middel van het mikroskoop. Ik heb mij daarvan evenwel niet kunnen overtuigen, wijl mijne exemplaren dood waren, toen ik hen opende.

Volgens valenciennes vindt men omstreeks de lente- dag- en nachtevening eene menigte zeer kleine eijertjes in de eijerstokken, die langzamerhand grooter en roodachtig van kleur worden; midden in den zomer ziet men in die eijertjes twee kleine, zwarte stipjes, die de oogen van het jonge dier zijn. Tegen den winter zijn de jongen rijp; die ik onderzocht heb, waren in November op het punt om in de wereld te verschijnen. Men wil evenwel, dat Januarij vooral de tijd is, waarop de maggen jongen krijgen, hoezeer het schijnt, dat dit bijna het geheele jaar door het geval is. Overigens schijnen er veel meer wijfjes dan mannetjes bij deze soort van visschen gevonden te worden; ook zijn de laatsten kleiner dan de eersten en veelal helderder van kleur. In het museum van de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen te Haarlem, heb ik twee exemplaren, een mannelijk en een vrouwelijk, geplaatst.

De magge zwemt zelden hoog in het water, maar blijft meestal op den bodem onder bossen zeewier, steenen enz. Daarom noemt men haar in Zweden Tånglake, naar den naam van het wier, Tång. Haar voedsel bestaat uit kleine visschen, vooral jonge haringen, wormen en ook uit het dier der gewone mossel, Mytilis edulis; volgens vele schrijvers vindt men altijd verbrijzelde schelpen van dat weekdier in hare maag. Op hare beurt wordt de magge zeer veel gegeten door verschillende watervogels, vooral door den grooten Zaagbek, Mergus merganser L. Overigens zwemt de magge vrij snel en op de