Pagina:Album der Natuur 1860.djvu/287

Deze pagina is proefgelezen
261
ALCHEMIE.

lires beliepen, dat bij de veel grootere waarde van het geld in dien tijd nog een vrij groot inkomen was.

Flamel stierf in 1418, eenige jaren na zijne vrouw, en ligt begraven in de kerk St. Jacques-la-Boucherie.

De vraag is, waarvan flamel het voor dien tijd zeer groote vermogen gekregen heeft, dat hem in staat stelde zoo veel te doen. Want dat hij, vroeger slechts zeer matig bemiddeld, na 1382 inderdaad al die bouwingen en herbouwingen heeft uitgevoerd, al die dotatiën en giften heeft gedaan, welke ik zoo even vermeldde, dit wordt door niemand betwijfeld. Men heeft daaromtrent gissingen geopperd, maar elke heeft ook hare wederlegging gevonden. Het karakter van flamel schijnt volgens de beste berigten zoodanig te zijn geweest, dat voor het vermoeden, dat hij zijn vermogen door eene misdaad zou verkregen hebben en de alchemie een dekmantel geweest zou zijn om de ware bron van zijn rijkdom te verbergen, geene plaats overblijft. Echter behoeft het juist geene misdaad geweest te zijn, die hem noopte het publiek in den waan te brengen, dat hij zijne schatten aan de alchemie verschuldigd was. Wie weet, hoe zich de geschiedenis met Maître canches in waarheid heeft toegedragen, — wie weet, of niet flamel gedurende zijne reis in Spanje op de eene of andere wijze met een rijken Jood bevriend is geworden, en, dezen onderweg door den dood verliezende, in het bezit is gebleven van hetgeen hij met zich voerde. Dat flamel zulk een oorsprong van zijn vermogen verborg, is niet onnatuurlijk, en dat hij dit deed door voor te wenden, dat hij het aan de alchemie te danken had, ligt geheel in den geest van zijn tijd. Ik geef intusschen deze gissing voor 't geen zij is, zonder er eenige bijzondere waarde aan te hechten.

 

 

Zonderling, maar op eene andere wijze zonderling, is ook de geschiedenis van vijf alchemisten, die van 1601 tot het midden der 18de eeuw de een na den ander veel van zich deden spreken, en van wie schmieder, professor te Kassel, in zijne in 1832 uitgegeven Geschichte der Alchemie zegt te gelooven, dat zij inderdaad adepten zijn geweest en tot