Pagina:Album der Natuur 1860.djvu/336

Deze pagina hoeft niet te worden proefgelezen
310
DE BOUWKUNST DER DIEREN.

migen verdienen wel, dat wij eenige oogenblikken bij hen stil staan en hun werk beschouwen.

 

Is er grootere tegenstelling denkbaar, dan tusschen een mol en een vogel? De een een aarddier, dat lucht en licht ontvliedt, de andere een luchtdier, een schepsel, dat bestemd is om zich vrij naar alle zijden te bewegen, op zijne vlugge wieken zwevende en het heerlijk licht, dat de zon ons toezendt, met zijn gezang begroetende! En toch is de overgang, dien wij thans zullen doen, niet zoo groot als hij schijnt, want, hoewel er,—zooals ik ter naauwernood behoefte zeggen,—geen vogels zijn, die, gelijk de mollen, uitsluitend onder den grond leven, zoo zijn er toch verscheidene, die althans een gedeelte van hun leven in gegraven holen doorbrengen.

Reeds vroeger vermeldden wij eene soort van uil (Athene hypogaea), die de verlaten holen der prairiehonden bewoont. Dergelijke aarduilen (Athene cunicularia) komen ook in de pampa's van Zuid-Amerika voor, waar zij de verlaten holen van de aldaar zeer talrijke Vizcacha's bewonen. Opmerkelijk voorzeker is het, dat deze uilen geen nachtvogels zijn, maar, volgens de waarneming van burmeister[1], daarentegen het licht zoeken, zoodat men hen dikwijls hetzij alleen of paarswijze des daags aan den ingang van hun hol of op den top der daar menigvuldige distels ziet zitten. Doch wij behoeven zoo ver niet te gaan om vogels aan te treffen, die holen bewonen. De algemeen langs de kusten der noord- en oostzee verbreide Brandgans (Anas tadorna) maakt zijn . nest in verlaten konijnenholen. Op het Deensche eiland Sijlt en desgelijks op het ten noorden der Groningsche kust gelegen eilandje Rottum maakt men daartoe opzettelijk holen in het zand der duinen, ten einde aan de brandganzen gelegenheid te geven daar te nestelen. liet spreekt echter van zelf, dat dit niet uit zuivere, onbaat-

De brandgans (Anas tadorna)[2].

  1. Zeitschrift für allgemeine Erdkunde, Neue Folge, III, p. 222.
  2. Zie NB van pag 351, (wiki.ed)