Pagina:Album der Natuur 1860.djvu/351

Deze pagina is proefgelezen
323
HET GILD DER MIJNWERKERS.

Andere insekten, hoewel noch zij, noch hunne maskers bodembewoners zijn, graven kuiltjes om er hunne eijeren in te leggen. Zoo de sprinkhanen,

De sprinkhaan

Acrida verrucivora hare eijeren leggende. De gewone stelling van den eijerlegger is door stippels aangewezen.

bepaaldelijk die soorten (Locustariae), waarvan de wijfjes een sabelvormigen, uit drie beweegbare kleppen zamengestelden legboor bezitten.

Nog grooter is de zorg van eenige bijen (het geslacht Audraena)

Cel van eene gravende bij

Cel van eene gravende bij (Andraena).Halve natuurlijke grootte.

waaronder er zijn, welker ligchaam weinig grooter is dan dat van eene gewone vlieg. Doch hoe klein en teeder ook, verstaan zij de kunst van in harde klei gangen te graven, ongeveer zoo wijd als een pijpensteel dik is en eene diepte van verscheidene duimen hebbende. Voorwaar een reuzenwerk voor zulk een klein schepsel - Benedenwaarts eindigt de gang in een bijna horizontaal omgebogen wijder gedeelte of kamer. Daarin legt het wijfje een ei, en omgeeft dit,—opdat het haar toekomstig kroost, dat zij zelve echter nooit kennen zal, toch niet aan voedsel gedurende zijnen hulpeloozen larventoestand zal ontbreken,—met eenen genoegzamen voorraad stuifmeel, dat zij van de bloemen gegaard en aan hare achterpootjes heeft medegevoerd. Dan verlaat zij de holte, maar, alvorens zich te verwijderen, sluit zij den ingang met klei digt.

Op eene min of meer overeenkomstige wijze handelen ook verscheidene soorten van wespen, doch, terwijl de bijen uitsluitend van