Pagina:Album der Natuur 1860.djvu/353

Deze pagina is proefgelezen
325
HET GILD DER MIJNWERKERS.

de kleine holte te doen doordringen, en daar hunne eijeren te leggen, waaruit dan larven komen, die zich aan den door de wesp verzamelden voorraad te goed doen of zelfs wel het ei of het jonge dier, waarvoor die voorraad eigenlijk bestemd was, zelve verslinden.

Overigens bestaat er tusschen de onderscheidene soorten dezer gravende wespen nog vrij wat verschil in de bijzonderheden hunner levenswijze, waarbij wij hier echter niet uitvoerig stil willen staan. Gewapend met stevige getande haken, zijn vele wespen in staat verscheidene duimen diepe gaten in de baksteenen van muren uit te graven; andere doen hetzelfde in zandsteen, en zelfs verhaalt réaumur, dat zij daarbij een vocht uitspuwen, hetwelk, vermoedelijk van zuren aard, het cement, waardoor de zandkorrels onderling verbonden zijn (koolzuren kalk?), doet oplossen, zoodat deze kleine dieren dus het oude fabelachtige verhaal betreffende hannibal, die bij zijnen togt over de Alpen de rotsen met azijn zoude hebben doen verdwijnen of althans in begaanbare wegen herschapen, inderdaad tot waarheid maken.

Ziedaar trekken van ijverige, voor geene moeite terugdeinzende moederzorg. De thans volgende betreft daarentegen een diertje, dat het toonbeeld is van eenen sluwen, alleen voor zich zelven ten koste van anderen zorgenden egoïst.

In onze zandige heidevelden heeft men van tijd tot tijd gelegenheid kleine trechtervormige kuiltjes waar te nemen, in welker bodem, doch grootendeels onder het zand bedolven, zich een insekt ophoudt. Het is het masker van den mierenleeuw (Myrmeleon formicarius), dat door zijn breed, kort, eivormig achterlijf, grooten- platten kop met geweldige bovenkaken, geheel verschilt van het gevleugeld insekt, waarin het later veranderen zal, en dat veel op eene waterjuffer of op een glazenmaker gelijkt. Bovendien, terwijl het laatste zich uiterst gemakkelijk beweegt, is het masker een mismaakt wezen, niet alleen zonder vleugels, maar ook zijne achterpooten zijn zoodanig met het ligchaam vergroeid, dat zij bij de voorwaartsche beweging volstrekt geen dienst kunnen doen, maar integendeel het ligchaam naar achteren trekken. Daar bovendien deze achterpooten merkelijk sterker zijn dan de beide paren voorpooten, zoo is zulk eene achterwaartsche beweging dan ook de meest gewone wijze van plaatsverandering bij dit