Pagina:Album der Natuur 1860.djvu/375

Deze pagina is proefgelezen
347
HET METSELAARS-GILD.

der, en ten slotte ontstond aldus eene dikke en vaste massa. Dikwijls zag ik hem, met een stok dwars in den bek, dezen met herhaalde slagen er in zoekende te steken, met geen ander doel, naar het scheen, dan om er ook dit ligchaam in te plaatsen. Wanneer de stukken hout buiten de oppervlakte van het traliewerk naar binnen uitstaken, dan sneed hij deze dadelijk hiermede gelijk. Dikwijls mengde hij onder de tot bouwen bestemde aarde ook het brood en de wortels, die men hem tot voedsel gaf, maar die hij niet at; wanneer hij door den honger gedrongen werd, haalde hij er deze echter weder uit te voorschijn. Hij was uiterst zindelijk. Wanneer hij niet sliep, bestond zijne voornaamste bezigheid in zich het haar glad te maken en van de geringste onreinheden te zuiveren. Overigens bragt hij zijn meesten tijd slapende door. De aandrift, die dezen bever tot bouwen bragt, was derhalve geheel instinktmatig en werktuigelijk; geene enkele uitwendige omstandigheid spoorde hem daartoe aan; zijn verstand nam er volstrekt geen deel aan; hij voldeed blindelings aan eene behoefte, die zelve blind was. De ruimte, die hij met aarde vulde, werd door zijnen arbeid niet beter gesloten, en er kon uit al de moeite, die hij zich gaf, voor hem niets voortkomen, waardoor zijn toestand verbeterd werd."

Inderdaad is dit voorbeeld wel geschikt om het verschil te doen inzien, dat er bestaat tusschen instinktmatige handelingen en die, welke voortspruiten uit verstandelijk overleg. De eerste kunnen in den natuurstaat volkomen doeltreffend zijn; in den regel mag men zelfs aannemen, dat zij juist aan de levensbehoeften van het dier beantwoorden, maar zij geschieden niet als zelf bewust gevolg van vroegere ondervinding. Zij behooren tot het wezen, tot den aard van het dier, even als zijne tanden, zijn haar, ja zijn geheele ligchaam daartoe behooren. Vandaar dan ook, dat alle bevers, hetzij deze Europa, Azië of Amerika bewonen, met hetzelfde instinkt begaafd zijn, en dat dit instinkt bij de bevers, wier woningen albertus magnus in de dertiende eeuw beschreef, zich geheel op dezelfde wijze openbaarde, als bij de thans levende. Dit is het groote verschil tusschen de handelingen van menschen en dieren. Welligt waren de woningen onzer eigene voorouders voor eenige duizendtallen van jaren