Pagina:Album der Natuur 1860.djvu/400

Deze pagina is proefgelezen
370
DE BOUWKUNST DER DIEREN.

zoodat dit achterlijf' alleen 1500 tot 2000 malen grooter is dan haar overige ligchaam en de koningin in dien toestand 20,000 tot 30,000 arbeiders evenaart. Hare eenige bezigheid bestaat in het leggen van eijeren, en daar, gelijk men heeft waargenomen, dat getal tot 80,000 in de vierentwintig uren bedraagt, en zij twee jaren lang daarmede voortgaat, zoo wordt het begrijpelijk, hoe na eenigen tijd de kolonie uit eenige millioenen individu's bestaat, dat is eene bevolking telt, welke die van menig koningrijk te boven gaat.

Rondom de koninklijke cel, die zich, gelijk wij zagen, in het binnenste en benedenste, dat is in het veiligste gedeelte der woning bevindt, zijn nu een aantal overwelfde gangen en kamers gebouwd, welke onderling en door de genoemde openingen met de koninklijke cel gemeenschap hebben, en bewoond worden eensdeels door de arbeiders, die belast zijn met de voeding en bediening van het vorstelijk paar, anderdeels door soldaten, die eene soort van lijfwacht vormen. Daaromheen zijn de "kweekerijen" gebouwd, die gebezigd worden om er de eijeren in te brengen en tot woonplaats te verstrekken aan de jonge dieren, welke daaruit komen en allen aanvankelijk

Doorsnede van een gedeelte eener kweekerij. —

Doorsnede van een gedeelte eener kweekerij. — Natuurlijke grootte.

door de arbeiders verzorgd en gevoed worden. Deze kweekerijen, ook bestaande uit eene vereeniging van gangen en kamers (zie nevensstaande figuur, eene doorsnede in natuurlijke grootte van een gedeelte daarvan voorstellende), zijn niet uit klei, gelijk al het overige; gebouwd, maar uit fijn gekaauwd hout, in dier voege echter dat een aantal dezer onregelmatige houten kamertjes te zamen door een