Pagina:Album der Natuur 1860.djvu/492

Deze pagina is proefgelezen
78
ALBUM DER NATUUR.

nitriten der zetmeelachtige stoffen zijn, uit zijne proeven blijken, en dat de feiten, die hem tot zijne nasporingen bewogen hebben, zijn: de analogie van de rol, welke de zetmeelachtige stoffen in het plantenrijk spelen, met die, welke de eiwitachtige stoffen vervullen in hel dierlijk organisme,—en het verschil van de hoeveelheden gluten in de zaden van eene bepaalde graansoort, naarmate de plant eene grootere of kleinere hoeveelheid ammoniak heeft kunnen absorberen. (Compt. rendu. Tom. L, pag. 856).

 

Werking der warmte op slingerplanten.—Prof. brewer te Washington ontdekte in 1855, dat de jonge toppen der hopplanten gedurende warme dagen regtop staan en dat zij slechts bij koude dagen of 's nachts zich om den stok beginnen te winden. Voorleden jaar deed hij proeven met twee andere slingerplanten, met Phaseolus lunatus L. en Convolentus purpureus L. Deze planten werden gedurende den dag in eene gelijkmatig verwarmde kamer en 's nachts in een koel vertrek gebragt. Aan die planten werd nu regts en links eene glazen buis aangeboden, ten einde er zich om te winden, met dat onderscheid, dat de eene buis met verwarmd, de andere met koud water gevuld was. Onder 52 gevallen kozen de planten 56 malen de warme buis, in 14 gevallen en wel gedurende zeer warme nachten, rolden zij zich om de koude buis. Door deze proeven is alzoo bewezen, dat de planten zich uit behoefte aan warmte vast om elken stok of staaf winden, dien zij kunnen bereiken, daar deze gedurende den nacht de over dag opgenomene warmte weder afgeeft. (Bonplandia, Jahrg. VIII, S. 245, uit Americ. Journ. of Sciences).

 

Zwelling van de schildklier gedurende den slaap.Forneris maakte toevallig bij zich zelven de waarneming, dat de hals bij het begin van den slaap en kort na het ontwaken dikker was dan over dag, daar hem op die tijden de gewone kleedingstukken aan den hals lastig waren. Hij schrijft deze zwelling van den hals uitsluitend toe aan eene zwelling der schildklier, en neemt een oorzakelijk verband aan tusschen deze zwelling en den slaap; de schildklier zou volgens hem een gedeelte van het voor de hersenen bestemde slagaderlijke bloed opnemen, waartoe de beide arteriae thyreoideae wegens haren oorsprong wel geschikt schijnen te zijn. F. verhaalt van een knaap, die een grooten krop had en daarom slapeloos was, daar bij het intreden van den slaap telkens eene sterke drukking aan den hals ontstond, die het gevoel van verstikking veroorzaakte. Gedurende het waken ontbrak deze drukking, en toen de schildklier kleiner was geworden, verdween zij geheel. F. mat eene maand lang dagelijks den omvang van zijnen hals op eene en dezelfde plaats, en wel gedurende volkomen wakenden toestand en dadelijk na het