Pagina:Album der Natuur 1860.djvu/501

Deze pagina is proefgelezen
87
WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.

b) Berigt van secchi. Deze deed zijne waarnemingen op den Desierto de las Palmas op 725 meters boven het oppervlak der zee, dezelfde plaats waar arago in 1842 zijne waarnemingen deed. Wat secchi van het aantal in den vorm der protubérances berigt stemt niet geheel overeen met hetgeen de Fransche commissie dienaangaande vermeldt, gelukkig wel in het belangrijke feit der waarneming van een groote en twee kleinere, die op een afstand der donkere schijf zich vertoonden. "De protubérances", zegt hij, "behooren tot de zon, het is ongerijmd het tegendeel te beweren." In een later berigt zegt hij, dat hij de corona kunstmatig heeft kunnen nabootsen door op den weg van een bundel zonnestralen, die door eene vrij groote opening in een donker vertrek vielen, een ondoorschijnend ligchaam met onregelmatig getanden omtrek te plaatsen, of door de randen der opening, die den bundel binnen laat zoo getand te maken. Men ziet dan een aantal divergerende straalbundels, die zich verschillend vertoonen al naar den afstand van het ondoorschijnend ligchaam tot de opening en de plaatsing van het oog des waarnemers in de as des bundels of daarbuiten.

c) Waarnemingen van prazmowski, directeur van het Keizerlijk observatorium te Warschau. Deze hadden één hoofddoel: de vaststelling van den polarisatietoestand des lichts van de corona en der protubérances. Met behulp van daartoe zeer goed gekozen kijkers, als polariskopen ingerigt, heeft hij uitgemaakt 1) dat het licht der eerste zeer sterk gepolariseerd is en wel voor elk deel daarvan in een vlak, dat zamenvalt met de normaal op den omtrek der maan en 2) dat het licht der laatste niet gepolariseerd is.

d) Waarnemingen, te Briviesca, door lespiault, hoogleeraar te Bordeaux. Deze komen al wederom met de voorgaande vrij wel overeen, ook wat de afgezonderde protubérances betreft, eene waarvan L. "een ware vuurwolk" noemt. Aan het bovendeel der donkere schijf heeft hij evenwel bij de door alle andere waarnemers geziene sterker lichtende sectoren der corona nog lichtstrepen gezien, die, wel verre van naar het middenpunt te convergeren, de eerstgenoemde onder allerlei hoeken sneden, zoodat dit deel der corona zich vertoonde als door een netwerk van lichtstrepen gevormd.

e) Waarnemingen van von feilitzsch te Castellon de la Plana, berigt van faye. Deze komen in hoofdzaak met de voorgaande overeen, in de gevolgtrekkingen slechts gaat v. f. nog verder. "De eklips van 1860", zegt hij, "heeft beslissende bewijzen geleverd voor de meening, die de corona en de lichtwolken voor zuiver optische verschijnselen houdt."

Eene opmerking van roche, ook door faye medegedeeld, is daarbij niet onbelangrijk. Twee waarnemers bevonden zich te Miranda en twee anderen digt bij Valencia. De vergelijking van hetgeen zij gezien hebben toont belang-