Pagina:Album der Natuur 1860.djvu/509

Deze pagina is proefgelezen
95
WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.

Nog iets betrekkelijk generatio spontanea.Pasteur heeft eenige nieuwe proeven genomen om aan te toonen, dat men zeer ten onregte aanneemt, dat de geringste hoeveelheid lucht, zoo die te voren niet gecalcineerd of aan de werking van sterke chemische agentia is onderworpen geworden, in eene verrotbare oplossing steeds een aantal nieuwe organismen zal voortbrengen. Was dit zoo, dan zou de lucht, gelijk pouchet teregt aanmerkt, steeds met organische stof overladen moeten zijn, dat geenszins het geval is. Een aantal ballons van 250 kub. centim. inhoud vult men, elk voor 13, met een aan verrotting onderhevig vocht (eiwithoudend water gemaakt met biergist, eiwithoudend water met suiker, urine enz), trekt de halzen der ballons uit, doet het vocht koken en sluit dan de uitgetrokkene gedeelten nog gedurende de koking. Op eene daartoe uitgekozene plaats breekt men voorts de punten af, waarop de buitenlucht met geweld in de ballons dringt. Dadelijk worden deze nu weder met de lamp gesloten en in eene stoof aan eene warmte van 25° à 30° onderworpen. Meestal en na weinige dagen verandert het vocht en, ofschoon de ballons onder dezelfde voorwaarden geplaatst zijn, ziet men er de meest verschillende organismen in ontstaan, veel meer verschillend zelfs, vooral wat de Mucedineën en Torulaceën aangaat, dan indien de vochten open aan de gewone lucht waren blootgesteld geweest. Maar het gebeurt tevens bij elke reeks van proeven meermalen, dat het vocht geheel zonder organismen blijft, hoe lang het ook de warmte der stoof moge ondervinden, even alsof de lucht vooraf gecalcineerd was geworden. Hoe komt dit? Omdat de lucht niet overal de organische stoffen bezit, die de kiemen zijn van nieuwe organismen. De lucht, welke de ballons omgeeft, bevatte hier wel, daar niet zoodanige stoffen. Dat er meer verscheidenheid in de bij deze proef voortgebragte organismen is, dan wanneer het vocht in vrije aanraking met de lucht geplaatst wordt, komt, omdat men, eene zeer beperkte hoeveelheid lucht toelatende, de ontwikkeling van al de daarin bevatte zeer verschillende kiemen mogelijk maakt, terwijl daarentegen, wanneer de lucht vrij over het vocht zich bewegen kan, zekere, in deze grootere hoeveelheden met het vocht in aanraking komende lucht aanwezige, zeer snel en krachtig zich ontwikkelende kiemen in de gelegenheid gesteld worden het terrein geheel in te nemen en geene plaats te laten voor de minder talrijke en meer achterlijke. Van zoodanigen aard zijn b.v. de sporulen van Penecillium glancum. Men kan het getal der onvruchtbare ballons naar believen vergrooten of verminderen. Om dat getal te vermeerderen heeft P. de lucht in de ballons doen dringen in de kelders van het observatorium, waar de atmospheer volmaakt onbewegelijk is, wanneer de luchtstroomingen, die de bewegingen van den proefnemer hebben veroorzaakt, opgehouden zijn. Daar de in zoodanige lucht aanwezige kiemen