Pagina:Album der Natuur 1860.djvu/68

Deze pagina is proefgelezen
46
WAT HEEFT DE KOMEET VAN DONATI ONS GELEERD?

Van de bovenal merkwaardige uitstrooming van lichtende stoffen en de vorming van lichtende banden, hulsels of ringen vinden wij ook reeds voorbeelden bij de komeet van 1811 en vooral bij die van halley, terwijl ook de waarnemingen van de kometen van 1618 en 1799 aan eene golfswijze uitstrooming van lichtende stofdeelen uit de kern der komeet doen denken. Ook uit het voorkomen der komeet van 1744, zoo als deze naar de beschrijving en teekening van heinsius was, kan men tot een soortgelijk verschijnsel besluiten. Volgens heinsius was de kern aanvankelijk door een uitgebreiden, in een staart uitloopenden nevel gehuld. Den 5 Febr. 1744 zag men aan de naar de zon gekeerde zijde een helder aanhangsel, als ware het een baard, en den 11 Febr. was deze ophooping van lichtende stof naar weerszijden verspreid en scheen zich aan den staart aan te sluiten of daarin over te vloeijen. Deze heldere damp, zoo als heinsius haar noemt, duurde ook nog later voort, terwijl de staart meer en meer zich scheen in tweeën te verdeelen.

Volgens de beschrijving van olbers had de komeet van 1811 het eigenaardige, dat de staart en de kern geheel van elkander gescheiden waren en dat de kern als in een kromlijnig gebogenen lichtenden band was geplaatst, welks beide beenen van de zon waren afgewend. Dit lichtend omhulsel scheen aan den zonkant uit de komeet te ontwellen en aan weerskanten in den staart als uit te vloeijen.

Van meer belang en meer overeenkomende met het verschijnsel, dat bij de komeet van donati is waargenomen, zijn de verschijnselen, die de komeet van halley heeft opgeleverd.

"Na October"—zegt bessel—"leverde zij eene reeks van verschijnsels op, die tot de leerrijkste behooren, welke de waarnemingen tot nu toe nog hebben doen kennen. De eerste blik op de komeet was op dezen dag zeer verrassend; het middelpunt scheen buitengewoon helder. Met een sterk vergrootenden kijker bemerkte men intusschen, dat het verschil bestond in eene vermeerderde helderheid van het midden des nevels, niet van eene verandering, die in het wezen er van had plaats gevonden. Even als vroeger scheen de eigenlijke komeet eene nevelmassa zonder scherpe begrenzing. Zulks was het geval gedurende den ganschen tijd, dien de komeet zigtbaar was. Men heeft geheel geen vaste kern, eenigermate naar die der planeten gelijkende, kunnen opmerken.