Pagina:Album der Natuur 1861.djvu/251

Deze pagina is proefgelezen
 

VLECHTERS, MANDENMAKERS, WEVERS, VILT- EN TAPIJTWERKERS;

DOOR

P. HARTING.

(Vervolg van bladz. 224.)

 

 

Wil men de kunst, door de vogels in hunnen nestbouw aan den dag gelegd, ten volle leeren waarderen, dan moet men zich vooral wenden tot diegenen hunner, welke door hunne kleinheid en gebrek aan wapenen magteloos tegenover eene menigte van roofdieren staan, die op hen en vooral op hunne jongen en eijeren jagt maken. Ook onder hen ontmoet men echter nog allerlei graden, allerlei trappen van meer of min vooruitziende zorg en van daaraan beantwoordende kunstvaardigheid in het meer of min ontoegankelijk maken van hunne nesten.

Velen bepalen zich alleen tot het opzoeken van een in het digte lommer, onder bladeren en takken verscholen plekje en bouwen daar een van boven open, komvormig nestje, waarvan de onderlaag en buitenste deelen steeds uit grovere, de binnenste daarentegen uit fijnere en zachtere bouwstoffen bestaan. Maar hoeveel kunst en vlijt is zelfs aan die eenvoudigste nestjes besteed!

Zie, b.v. dat (afgebeeld in fig. 2 der plaat) van den Wielewaal (Oriolus galbula), dien fraaijen, levendig geel en zwart gekleurden vogel, dien vrolijken zanger, wiens helder stemgeluid ons des zomers van verre tegenklinkt, al bekomen wij hem zelven slechts zelden te zien, want de Wielewaal is schuw en heeft reden den mensch te vreezen, want hij is een beruchte kersendief, al eet hij deze slechts als lekkernij, daar zijn hoofdvoedsel uit insekten bestaat.

Met de grootste zorg is zijn nestje tusschen een gevorkten tak

1861.
15