Pagina:Album der Natuur 1861.djvu/359

Deze pagina is proefgelezen
331
DE WASFABRIKANTEN ONDER DE DIEREN.

gebouw op gepastere wijze geschraagd hebben, totdat zijne balken in gereedheid waren om het te ondersteunen?"

 

Biedt de huishouding der hommels reeds veel aan, dat onze bewondering wekt, nog meer worden wij daartoe gestemd bij de beschouwing van die der bijen. Wanneer wij den blik van een hommelnest, welks bewoners slechts uit een vijftig of zestig, hoogstens een paar honderd individu's bestaan, wier bouwkunstige voortbrengselen alle sierlijkheid en netheid missen, wenden naar eenen bijenkorf, bevolkt door vele duizende individu's, die de zoo kunstige raten bouwen, met tusschenruimten en doorgangen voor de gemakkelijke beweging der rusteloos arbeidende dieren, dan is het als of wij van een uit leemen hutten bestaand gehucht op de heide ons op eens verplaatst zien in eene groote stad, met hare bevallige, regelmatige gebouwen, straten en pleinen, drukte en levendigheid.

Ook is er geen dier, welks levenswijze van de oudste tijden af zoozeer de aandacht tot zich getrokken heeft, als de honigbij. Ten allen tijde zijn er natuuronderzoekers geweest, die een gedeelte van hun leven besteedden aan nasporingen daarover, van aristomachus van Soli in Cilicie af, die, zoo als plinius verhaalt, achtenvijftig jaren lang zich daarmede alleen bezig hield, en philiscus de Thracier, die al zijnen tijd in de bosschen doorbragt met hetzelfde oogmerk, tot op onzen swammerdam, réaumur, schirach, de oudere en de jongere huber en nog vele anderen na hen, tot op onzen tijd toe. Daardoor is eene eigene litteratuur ontstaan, die op zich zelve reeds eene kleine bibliotheek zoude uitmaken. Ja er worden zelfs geregeld verscheidene tijdschriften uitgegeven, die uitsluitend aan de honigbij en hare kweeking gewijd zijn. Dat de reden eener zoo algemeene belangstelling voor een groot deel moet worden gezocht in de voor den mensch nuttige voortbrengselen dezer nijvere dieren, verstaat zich van zelf, doch tevens zijn daardoor vele bijzonderheden aan het licht gekomen, die ook voor dengenen belangrijk te weten zijn, voor wien kennis nog iets anders en hoogers is dan eene melkgevende koe.

In 1712 kwam maraldi, een wiskunstenaar te Nice, op het