Pagina:Album der Natuur 1861.djvu/402

Deze pagina is proefgelezen
374
DE GEOGRAPHISCHE VERSPREIDING DER DIEREN.

leeft geene aapsoort, die zoo vele verwantschap met den Orang-Outan van Borneo heeft als de Chimpanzé van Afrika's westkust. Omgekeerd zijn enkele geslachten zeer talrijk in soorten en echter aan bepaalde gewesten gebonden; de kolibri's b.v. komen alleen in de nieuwe wereld voor, en tellen meer dan honderd soorten. In geheel Zuid-Amerika leefde oorspronkelijk geene enkele soort van holhoornig herkaauwend dier; het geslacht der runderen was daar vreemd, vóór dat het door de Europeanen werd ingevoerd, en de Antilopen, die in Afrika zoo vele soorten tellen, zijn in dat uitgestrekt gedeelte van onzen aardbol door geen enkele soort vertegenwoordigd.

Wij worden derhalve gedrongen aan te nemen, dat de meeste feiten door geene theoriën kunnen verklaard worden, maar dat zij verbonden zijn met den oorsprong der bewerktuigde wezens, met eenen aanvang der dingen, die voor onze natuurkennis een zeer duister onderwerp is — en wel altijd blijven zal. Wilde men al sommige verschijnsels uit geologische veranderingen afleiden, wilde men b.v. aannemen, dat landen, die dezelfde dieren hebben en thans door zeeën gescheiden zijn, vroeger vereenigd waren, zoodanige verklaringen zouden echter de meeste feiten niet kunnen ophelderen. Bepaaldelijk strijden tegen de algemeene toepassing van dergelijke veronderstellingen de verschijnsels, welke de geographische verspreiding der zeedieren ons aanbiedt. Alles noopt ons daarom om aan te nemen, dat er verschillende scheppingen op verschillende plekken der aarde en in verschillende gedeelten van den Oceaan hebben plaats gehad. Zulk eene stelling is, wij erkennen het gaarne en betuigen het zelfs met nadruk, geene verklaring, maar zij is de eenvoudige uitdrukking van het denkbeeld, waartoe de verschijnsels ons brengen, van het gevolg, dat wij uit de waarnemingen 'afleiden. Door te erkennen, dat wij niet alles verklaren kunnen, doen wij niets te kort aan de eischen der wetenschap. Begeeft men zich op het gebied der gissingen, dan schept men zich slechts nieuwe zwarigheden, die wederom alleen door gissingen kunnen worden opgeheven. De ware weg, dien wij hier volgen moeten is, dat wij de verschijnsels naauwkeurig waarnemen, die aan een beoordeelend onderzoek onderwerpen, hen in eene zamenhangende orde rangschikken, bijeenvoegen, wat bij elkander behoort, en afscheiden, wat aan het onderwerp