Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/105

Deze pagina is niet proefgelezen
85
MET DE NATUURLIJKE GESCHIEDENIS VAN DEN MENSCH.

exacte wetenschappen." Hij wilde zoovele feiten opzamelen, als mogelijk was. Door uitgebreide briefwisseling met reizigers, gezanten en vorsten zocht hij taalproeven uit alle gewesten der aarde bijéén te brengen.

Eenen gewigtigen invloed op de studie der vergelijkende taalkunde heeft vooral de kennis van de oude Indische taal, die men Sanskrit noemt, uitgeoefend. De Aziatische societeit, in 1784 te Calcutta opgerigt, heeft er vooral aanleiding toe gegeven om de aandacht op die taal te vestigen. Sir william jones verklaarde, dat geen taalkundige het Sanskrit. Grieksch en Latijn kon onderzoeken, zonder tot de overtuiging te geraken, dat zij allen van gemeenschappelijken oorsprong waren. Er is eveneens grond om aan te nemen, dat de Germaansche en Keltische en Slavonische talen denzelfden oorsprong hebben gehad, als het Sanskrit, en ook het oude Persisch moet tot dezelfde taalfamilie gebragt worden. In 1808 gaf friedrich schlegel een klein boekdeeltje in het licht over de taal en wijsbegeerte der Indische volken (Ueber Sprache und Weisheit der Indier), waarin de overeenkomst, welke wij bedoelen, eveneens wordt aangetoond, en hetwelk aanleiding gaf, dat men sedert dien tijd van Indo-Europische of beter Indo-Germaansche taaltakken begon te spreken. Thans bezigt men voor den grooten taalstam, dien wij bedoelen, dikwerf den naam van Ariaanschen. De naam Arii, als volksnaam, had betrekking op de bevolking van dat gedeelte van Centraal-Azië, waar de Gihon en Sijoen (de Oxus en Jaxartes) ontspringen. Maar, welke ook de naam zij, waaraan men de voorkeur geve, het is voor ons tegenwoordig oogmerk voldoende op te merken, dat tot deze groote klasse van talen de Indische. Perzische. Keltische. Slavonische en Germaansche behooren, eveneens als de Grieksche taal van onzen tijd, en de Fransche, de Spaansche, de Portugeesche, de Italiaansche taal. Als uitgestorven talen vermelden wij slechts het Sanskrit, het Latijn, de taal van het oude Griekenland en het Gothisch.

Uit deze opnoeming ziet men reeds, 't geen bij nader onderzoek steeds duidelijker wordt, dat de groote verdeelingen, die men voor volkstammen in de natuurlijke geschiedenis van den mensch heeft aangenomen, niet altijd dezelfde zijn als die, tot welke men door het onderzoek en de vergelijking der talen gebragt wordt. Onder