Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/124

Deze pagina is proefgelezen
104
BEENDERENHOLEN.

losten kalk aan de plaats waar het afdruppelde achter, en het andere gedeelte wordt, als de toestand van den grond daarvoor geschikt is, onder op de plaats, waar het water valt, afgescheiden. Zoo ontstaan de heerlijk schoone hangende en staande druipsteenen, de zoogenoemde stalaktieten en stalagmieten, die de verwondering opwekken van den mensch, die hen ziet in het licht, dat de toortsen der gidsen verspreiden. Zoo is dus de vorming van de kalkgedaanten, die de holen versieren, en van de kalkkorst, die den bodem bedekt, afhankelijk van het regenen aan de buitenzijde van het gewelf. Men kan zich in een druipsteenhol niet genoeg verwonderen over het feit, dat al die wonderbare vormen het werk zijn van kleine druppeltjes, die men in eene stilte als die van het graf rondom zich hoort vallen en als een snel naar beneden schietenden bliksemstraal ziet schitteren en flikkeren, wanneer onder dat vallen het licht der toortsen er toevallig in weêrkaatst. En zegt dan de bejaarde gids, dat hij die stalaktieten, waarvan de vormende druppels langzaam afvallen, nooit kleiner heeft gekend, dan krijgen wij aanleiding om den langzamen gang der druipsteenvorming als een maatstaf aan te wenden om den ouderdom der aarde te berekenen. Immers, als het oplossingsvermogen en de toevoer van water hier ten allen tijde gelijk is geweest als thans, dan kan men reeds uit de dikte van vele stalaktieten berekenen, dat de holen vele honderdduizenden van jaren oud moeten zijn: en die holen kunnen eerst gevormd en door het water uitgespoeld zijn, toen de aardlagen, waarin zij zich bevinden, reeds gevormd waren — en die aardlagen behooren somtijds tot betrekkelijk zeer jonge formatiën!

Mogten er onder mijne lezers zijn, die bezwaarlijk kunnen gelooven, dat er uit kalkhoudend water zulke zonderlinge gedaanten kunnen ontstaan, aan wie het ongeloofelijk voorkomt, dat het water zooveel kalk in oplossing bevatten kan — ik behoef dan voorzeker niets anders te doen dan hen te wijzen op de zoogenoemde omkorstende bronnen, dat is op bronwateren, die kalk bevatten en afzetten op alle voorwerpen, waarmede het water in aanraking komt. In ons eigen land, in Zeeland, is een meertje, dat van Rockanje, welks water zooveel kalk in oplossing bevat, dat alle voorwerpen, die er in geraken, weldra met kalk worden omkorst. En wie weet niet van de beroemde