Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/128

Deze pagina is proefgelezen
108
BEENDERENHOLEN.

tanden, beenderen, geweien enz. van herkaauwende dieren: herten, reeën, antilopen, runderen enz., ja zelfs vindt men in sommige holen overblijfselen van olifanten, neushoorndieren, rivierpaarden en andere dikhuidige dieren. Zij liggen daar dooreen met die van de vroeger genoemde verscheurende dieren.

 

Na dit vlugtige overzigt van de beenderenholen en van hetgeen zij bevatten, komen wij tot de behandeling van eenige belangrijke vragen. Belangrijke vragen, zeg ik; immers door de antwoorden, die de wetenschap en de redenering daarop geven, zal het ons mogelijk zijn een blik te werpen op het leven in lang vervlogene tijden, in tijden toen de mensch nog niet bestond en hij zijn waarnemend oog nog niet, zoo als heden ten dage, kon laten gaan over de dieren des velds.

De geologen zijn verre van eens te zijn in het verklaren van de wijze, waarop die verschillende beenderen in de holen gekomen en opgestapeld zijn. Sommigen denken, dat de verscheurende dieren, beeren, hyenaas enz, hun verblijf in die holen gehouden hebben; dat zij de plantenetende dieren, waarvan zij leefden, hetzij in hun geheel, hetzij bij stukken er in gesleept hebben, en dat eindelijk na hunnen dood hunne beenderen in de holen zijn liggen gebleven, gemengd met die hunner slagtoffers en hunner voorgangers. Laat ons zien, waarop dat gevoelen steunt.

Vooreerst: De holen, die beenderen bevatten, worden gevonden in kalklagen, ouder dan de vormingen uit het diluviale tijdperk, waarin de holendieren leefden. Die reeds bestaande holen zullen tot de natuurlijke verblijfplaatsen van roofdieren gediend hebben; immers ook nog heden ten dage zien wij, dat vele roofdieren hun leger opslaan in holen en rotsspleten; en dieren, die eene in de hoofdzaak gelijke ligchaamsinrigting bezaten als de hedendaagsche roofdieren, zullen ook ongetwijfeld eene dergelijke levenswijze gevoerd hebben: eene redenering, waar voorzeker niets tegen is in te brengen.

Ten tweede: De beenderen der roofdieren zijn over het algemeen meer in hun geheel, minder geschonden of verbroken dan die der plantenetende dieren. De laatsten zijn niet slechts veelal verbrijzeld, maar somtijds ook vertoonen zij groeven en krassen, die algemeen