Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/142

Deze pagina is proefgelezen
122
MANNA EN LERP,

Vóór verscheidene jaren gaf wright (zie de Notizen van schleiden, III, pag. 227 — 229) eenige berigten omtrent het Oostersche manna, waarmede het berigt in het Wet. Bijblad vrij goed overeenstemt, doch de verdienste heeft van eene scheikundige ontleding er bij te voegen. Wright vond in een deel van het gebergte van Kurdistan op het blad van vele boomen en bepaaldelijk van den galappeleik[1], in groote menigte eene stof afgescheiden, welke door de inlanders aldaar gezza, in het Syrisch manna genoemd wordt en welke in zoo groote hoeveelheid op deze bladen voorkomt, dat zij, na het droogen der bladen, daarvan wordt afgedorscht en als voedingsmiddel gebruikt, waartoe het voor den winter bewaard wordt. Welstedt zag op zijne reis naar den berg Sinaï, in September 1836, te Wadi Hebron de manna leverende boomen op eene hoogte van meer dan 2000 voeten. In de heuvelachtige streek van Lauristan (ten zuidoosten van Kurdistan) en in Mesopotamie vindt men het op verschillende soorten van eiken, onder welke men doeken uitspreidt en daarop 's morgens het manna, evenals groote dauwdroppels, inzamelt. Deze eiken zijn daar laag en struikachtig. Burckhardt zag bij Erzerum eene stof in smaak en zelfstandigheid op manna gelijkend, afgedruppeld van galappel-eiken en het hoofdvoedsel der inwoners leverende.

2. Het bovenstaande past vrij goed op de beschrijving van het manna, dat de Israëlieten in de woestijn tot voedsel gebruikten; maar er is nog eene andere plant, op welke dit nog meer toepasselijk is. Pallas spreekt van een eetbaar Korstmos. Lichen esculentus, welke plant door de nieuweren Parmelia esculenta en door wright t.a. pl. Lecanora esculenta genoemd wordt. Volgens dezen laatsten schrijver zijn vele zoogenaamde manna-regens, die soms bij hevigen wind vallen, ophoopingen van dit korstmos, uit hetwelk men in het land der Kirgisen, ten noorden der Kaspische zee en soms ook bij Urumiah, ten zuidwesten der Kaspische zee, een goed en smakelijk brood bakt. Het heeft meer dan eens bij hongersnood het leven van een aantal

  1. Quercus infectoria olivier, dat is die eik, op welke in Syrië de gewone galnoten worden ingezameld.