Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/167

Deze pagina is proefgelezen
147
VAN HET MENSCHELIJK GESLACHT.

in het hol te Gailenreuth, dat te Paviland in Wales, enz; — ik bedoel hier altijd die beenderen, die met voorwereldlijke dierenbeenderen vermengd in de aardlaag der beenderenholen zijn gevonden. Zijn die dierenbeenderen door waterstroomen in die holen gesleept, dan zal datzelfde ook wel van de menschelijke overblijfselen, die er mede vermengd zijn, gezegd moeten worden. Maar hebben dan die menschenbeenderen enz, op hunne eerste ligplaats niet reeds bij de beenderen van voorwereldlijke dieren moeten liggen? Volstrekt niet! Waar een geweldige waterstroom den grond af kabbelt en omwoelt, zal hij met de bestanddeelen van den grond in zijne vaart medeslepen wat er in, maar ook wat er op ligt; het oppervlakkige en dieper liggende zal dooreen gemengd worden, en daar ter plaatse, waar het eindelijk stilstaande water het medegevoerde laat zinken, zullen voorwerpen, die oorspronkelijk vrij ver van elkander verwijderd en het eene hooger, het andere dieper in den bodem lagen, bij en door elkander naar beneden zakken. Zoo kan en zal het zonder twijfel in vele gevallen gebeurd zijn, dat het diluvium, waarin beenderen van hyenas, beeren, enz, bevat waren, en waarop of in welks bovenkorst menschenbeenderen en door menschen vervaardigde voorwerpen zich bevonden, door geweldige waterstroomingen omgewoeld en weggesleept is, en met al wat het bevatte hier en daar, ook in de holen, waarover ik spreek, zich neêrgezet heeft. En dat in zoodanig geval het vinden in dezelfde aardlaag van die menschelijke overblijfselen met de beenderen dier dieren volstrekt geen bewijs levert, dat die dieren menschen tot tijdgenooten hebben gehad, behoeft wel geen betoog.

Een van de meest gecompliceerde gevallen van holen, waarin menschenbeenderen, beenderen van hedendaagsche en beenderen van voorwereldlijke dieren bijeen gevonden zijn, is dat van het door lartet tien jaren na de ontdekking onderzochte hol bij Aurignac (Ann. des Sc. Nat. 4e Série, Tom. XV). Men heeft hier blijkbaar een hol, dat in oude tijden door menschen bewoond is geweest, en voor welks ingang de bewoners eene vuurplaats hebben aangelegd, op welks bodem en op welke vuurplaats zich later een door waterstroomen verplaatst diluvium heeft nedergezet, in welk diluvium zich beenderen van diluviale dieren en van menschen, op de boven om-