Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/172

Deze pagina is proefgelezen
152
OVER DEN VERMOEDELIJKEN OUDERDOM

van breda in zulk een steel heeft doen zetten. — Maar eene tweede vraag is, of het diluvium, in welks diepte die bijlen, messen of wiggen gevonden zijn, inderdaad een onaangeroerd, sedert zijn eerst ontstaan niet van plaats veranderd diluvium is. Boucher de perthes beweert dit, en uit de onderzoekingen, die prestwich, gaudry en anderen te Abbeville hebben bewerkstelligd, schijnt te volgen, dat de vuursteenen bijlen inderdaad op hunne oorspronkelijke plaats voorkomen. Doch er zijn ook anderen, die het tegendeel beweren. Onder dezen noem ik vooral e. robert, die beweert, dat het terrein, waarin men die voorwerpen vindt, geen waar diluvium is, maar eene alluviale vorming, eene vorming dus uit de laatste, thans nog voortdurende periode. Dat terrein is wel is waar afkomstig van het diluvium, maar is dat zelf niet. In de dalen van Frankrijk, door welke rivieren loopen, is in oude tijden door de gedurig plaats hebbende overstroomingen een terrein van diluviaal zand en rolsteenen afgezet, dat die rivieren elders uit het ware diluvium hadden opgenomen. De groote steenblokken, die men in dat zelfde pseudo-diluviale terrein vindt, zijn door ijsschotsen daar heen gevoerd, en robert beroept zich daarbij op de omstandigheid, dat het klimaat van Frankrijk ten tijde der Romeinsche overheersching zeer koud was en de rivieren zeer dikwijls toevroren. Zulk eene nederzetting van diluviaal zand en rolsteenen heeft nu niet meer plaats, nu de rivieren wegens de ophooging van den bodem der dalen niet meer in overvloed en vrij door het gansche dal kunnen stroomen. Met dat zand en die steenen nu werden natuurlijk ook de in het oorspronkelijk diluvium aanwezige fossile beenderen medegesleept en in de genoemde valleijen neêrgezet. Die valleijen waren toen bewoond, gelijk in het algemeen de door rivieren doorsneden valleijen overal de eerste woonplaatsen der menschen geweest zijn. De overstroomingen deden de bewoners vlugten, maar zij lieten de sporen van hun aanzijn achter in de ruwe gereedschappen, die zij vervaardigd hadden, en die nu onder het uit het rivierwater neêrgezonken en met fossile beenderen gemengd terrein bedolven geraakten.

Er zijn er ook, die aan eene andere soort van verplaatsing van het diluvium, waarvan ik thans spreek, gedacht hebben, te weten aan