Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/183

Deze pagina is niet proefgelezen
163
VICTORIA REGIA.

reize op een der Philippijnsche eilanden door eene ziekte werd overvallen, die hem in weinige dagen ten grave sleepte. De meeste zijner aanteekeningen gingen door dit ongeval verloren en zagen dus nimmer het licht. De zekerheid echter, dat haenke de oorspronkelijke ontdekker der Victoria is, bestaat; en de overlevering zegt ons, dat hij, in verrukking over het onbeschrijfelijk majestueuse tooneel, 't welk zich op 't oogenblik dier ontdekking voor zijne oogen ontsloot, op de kniën viel en den Allerhoogsten zijn dank stamelde voor de schepping van dit wonderwerk.

Eenendertig jaren verliepen er, aleer de aandacht van het publiek ten tweeden male (in 1852) op de Victoria regia gevestigd werd. Het was weder een Duitscher, aan wien het geluk eener ontmoeting met de reusachtige waterplant ten deel viel, en wel de bekende reiziger pöppig, die gedurende eene lange reeks van jaren zich in ZuidAmerika ophield. In het 35ste deel van Froriep's Notizen vindt men zijne aanteekeningen, welke op die ontmoeting betrekking hebben, vermeld en, wat meer zegt, eene wetenschappelijke beschrijving daaraan toegevoegd, waaraan men ten allen tijde zijne plant zou kunnen herkennen. — Ongelukkig echter had pöppig te oppervlakkig onderzocht en was hij daardoor tot het besluit gekomen, dat de prachtige Waterlelie, welke ook zijne bewondering had opgewekt, eene nog onbekende soort was van een reeds bekend Aziatisch plantengeslacht (Euryale), terwijl zij toch inderdaad tot een zelfstandig geslacht had behooren verheven te worden. — Had pöppig naauwkeuriger toegezien, dan ware de naam van Euryale amazonica nimmer door hem ge kozen om aan 't hoofd van zijn opstel te prijken, en men had dien naam dan ook waarschijnlijk niet vervangen gezien door een anderen, waardoor de herinnering aan den eersten ontwerper eener beschrijving onzer prachtplant zou worden uitgewischt.

Onafhankelijk van pöppig, werd de Victoria regia in 1833 zoo te zeggen ten derden male ontdekt door een Franschman, d'orbigny, en dat wel ongeveer op dezelfde plaats, waar zij allereerst door haenke werd waargenomen. In 1834 in Frankrijk teruggekeerd, haastte d'orbigny zich wel eene reisbeschrijving in het licht te geven, en werd daarin dan ook wel degelijk eene plaats ingeruimd aan de