Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/191

Deze pagina is niet proefgelezen
171
VICTORIA REGIA.

zwartbruine kleur aan. Legt men hen, terstond na de inzameling, te kiemen, dan begint de jonge plant zich dikwerf reeds in de 4de week te vertoonen, indien zij namelijk aan de vrij hooge temperatuur van 23° à 25° R, worden blootgesteld. Langer bewaarde zaden geven dikwerf niet eer voor de achtste week na de uitzaaijing teekenen van leven. Het is nogthans niet wel mogelijk den tijd van kieming vooruit met zekerheid te bepalen, daar de standvastigheid en de hoogte van den warmtegraad daarop een zeer merkbaren invloed uitoefenen.

Komen de zaden werkelijk op, dan bemerkt men zulks allereerst daaraan, dat een klein cirkelrond plaatje, waarvan de omtrek aan een der beide uiteinden van den zaadkorrel duidelijk zigtbaar is, bij wijze van een dekseltje opgeligt wordt, en dat dan uit de daardoor ontstane opening een kort en dik wit omgekeerd T-vormig steeltje naar buiten schuift, 't welk juist op dat punt, waar het staande en het dwarse been elkander raken, naar beneden een worteltje, en naar boven een stengeltje voortbrengt. Later ziet men uit het stengeltje het eerste blad te voorschijn komen; en dit is dan ook ongeveer het tijdstip, waarop nieuwe of zoogenaamde bijwortels ontstaan, en de oorspronkelijk gevormde of hoofdwortel te niet gaat. Het verdient opmerking, dat het eerste stengelblad, 't welk reeds na 6 à 8 dagen volwassen is, volstrekt nog niet den sierlijken vorm heeft, waardoor de latere bladen zich onderscheiden, en integendeel het niet verder brengt dan tot de gedaante eener grasscheut. Ook het tweede blad, hetgeen spoedig op het eerste volgt, is nog niet cirkelrond, maar lancetvormig; eerst het derde, 't welk ongeveer drie weken na het eerste zijn vollen wasdom bereikt heeft, vertoont den aanleg tot den eigenaardigen typus, die niet alleen aan de bladen der Victoria, maar aan die van alle waterleliën eigen is.

Het is bij het vierde blad, welks kleur van die der beide vorige in zoo verre afwijkt, als het rood thans grootendeels plaats gemaakt heeft voor het groen en nog slechts op verspreide punten wordt waargenomen, dat voor het eerst de lijstvormige verhevenhedenen de stekels gezien worden, welke teregt als een sieraad der plant worden geroemd. Beide komen aan de ondervlakte der bladen voor, en zouden om die reden voor den oppervlakkigen toeschouwer altijd ver-