Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/222

Deze pagina is niet proefgelezen
200
DE ENGELSCHE KOLENMIJNEN

nemen, dat zoowel Cornwall in het zuiden van het kanaal van Bristol als ook bijkans het geheele vorstendom Wales ten noorden der kolenformatie uit de zoogenaamde graauwakke bestaat, die als die rotssoort bekend is, waarop de steenkolen plegen te rusten. Men mag derhalve aannemen, dat eerst na de overstrooming der kolenbeddingen de bergen van Wales en Cornwall zijn opgeheven en zoo de bovenvermelde kom ontstaan is.

De overige drie kolenvelden vertoonen dezen komvorm alleen op eene geringe uitgestrektheid en bezitten, als men ze als een groot geheel beschouwt, slechts ééne helling naar het zuidoosten, loodregt op de lengterigting. Zij leunen aan de westelijke grens op het graauwakke-gebergte van Wales en Cumberland en worden aan den oostelijken kant en evenzoo tusschen de enkele velden door jongere rotslagen, in het bijzonder door jurakalk en krijt overdekt, een toestand, die volkomen overeenstemt met dien van België en Westphalen, waar de kolen in het zuiden op de graauwakke der Ardennen en het Rijnsch-Westphaalsche schiefergebergte rusten en naar het noorden diep onder de mergel- (krijt-) banken van Limburg en het Munsterland zich uitstrekken. In de genoemde kolenstreken van Engeland zijn evenwel plaatselijk ook hellingen naar het zuiden en westen, evenals er daar, zooals meest in alle landen, veelvuldige verschuivingen of verbrekingen der banken waargenomen worden, waardoor de regel matigheid verdwijnt en een voor den onkundige hoogst verwarde toestand geboren wordt, welke bij eene beschouwing van het groote geheel ophoudt.

Wij hebben van kolenbanken gesproken en met opzet het meervoud gebezigd. In alle landen, waar steenkolen gevonden worden, ontmoet men namelijk bij het graven der putten of schachten, alvorens de steenkolenformatie doordrongen te hebben, eene reeks van kolenlagen van kleinere of grootere magtigheid, die steeds van elkander gescheiden zijn door banken van zandsteen en lei of schiefer, dikwijls vergezeld van kalksteen en ijzererts en vervuld met eene menigte versteeningen van planten en soms ook uit de dierenwereld. De ijzererts, in den regel door bijgemengde kooldeeltjes zwart gekleurd, en daarom thans overal blackband genoemd, is voor sommige landen, zoo voor Engeland,