Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/429

Deze pagina is proefgelezen
23
WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.

door een visch van nog geen tien duim lang, wit van kleur met eenige blaauwe vlekken naast den rug, welken visch men op de plaatsen, waar de beschreven geluiden worden waargenomen, aan den hoek vangt. — De berigtgever, stellig geen ichthyoloog, geeft geene de minste berigten aangaande den veronderstelden muzikalen visch dan de opgegevene niets beteekenende aanduidingen. De brief is ter onderzoeking in handen gesteld van valenciennes. (Compt, rend.. Tom. LIL, p. 1075).

 

Vruchtbare eijeren, gelegd door vrouwelijke individus van Bombyx mori, zonder paring met mannelijke. — Dit voorbeeld van parthenogenesis is meermalen beweerd, doch nooit streng wetenschappelijk geconstateerd. In de oude familien van zijdekweekers in het zuiden van Frankrijk bestaat eene traditie, dat een der beste middelen om het zijwormras te verbeteren, bestaat in het gebruiken van graine vierge, dat is van eijeren, gelegd door wijfjes, die men zorgvuldig van de mannetjes afgescheiden heeft gehouden. Jourdan, die dit mededeelt, heeft in 1851 twee proefnemingen genomen, de eene op 147 wijfjes van de verscheidenheid met gele cocons, genaamd de Briance of du Milanais, en de andere op 25 wijfjes van eene varieteit met witte cocons uit zuidelijk China. De eerste varieteit geeft slechts een geslacht per jaar, de andere daarentegen vijf à zes. Er waren, door een groot aantal cocons ieder in een met gaas overdekt doosje te sluiten, reeds vooraf voorzorgen genomen, dat de wijfjes zelfs niet op het oogenblik van het uitkomen uit de cocons met de tegelijk uitkomende mannetjes in aanraking konden komen. De 147 wijfjes van de eerste proefneming hebben ongeveer 58000 eijeren gelegd, uit 29 waarvan rupsen gekomen zijn; de 23 wijfjes van de tweede proefneming legden ongeveer 9000 eijeren, die 530 rupsen gaven. Bij de eerste proef was dus één vruchtbaar ei op omstreeks 3000, bij de tweede één op de 17 gelegde eijeren. — Het feit schijnt dus bewezen, maar tevens, dat deze wijze van voortplanting naar evenredigheid zeer zwak is, en ook, dat er te dezen aanzien een aanmerkelijk verschil bestaat bij de verschil lende rassen van zijdewormen. Jourdan oordeelt echter, dat de proeven op eene nog grootere schaal, op 500 cocons b.v. (hij had bij de eerste proef 300, bij de tweede 50 cocons gebruikt) moeten herhaald worden om het feit behoorlijk te constateren. Hij is ook van oordeel, dat het ontstaan van 10 tot 12 achtereenvolgende generatiën uit wijfjes van bladluizen, zonder medewerking van mannetjes, dat door de meesten als een ontwijfelbaar feit wordt opgegeven, nog bevestiging noodig heeft. Hij zelf heeft vele malen de bladluizen der rozenstruiken en van den vlierboom waargenomen, maar altijd, er gedurende het gansche jaar, mannetjes bij de wijfjes gevonden. De kleinheid der mannetjes, hunne spoedige gedaanteverwisseling en hun snel verdwijnen