Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/467

Deze pagina is proefgelezen
61
WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.

(Compt, rend., Tom. LIV, pap. 958). Wanneer men al met davaine erkennen moet, dat de kwestie van de ontwikkeling der entozoën eene gezonde kritiek en nadere onderzoekingen noodig heeft, zoo is het mijns oordeels even zeker, dat er nog vrij wat meer noodig is, dan de slechts tot negative uitkomsten leidende proeven van pouchet en verdier (waarbij men niet kan nalaten te denken aan een toeleg om de zaak weder op het terrein der generatio spontanea terug te voeren), om de positive resultaten van zoo vele bevoegde waarnemers voor nietig te kunnen verklaren.

In een volgend No, der Comptes rendus leest men ook reeds een brief van van beneden, waarin deze schrijft eerst zeer verwonderd te zijn geweest bij de lezing van de mededeeling van P. en V., doch dat hij weldra de oorzaak ontdekte van het mislukken hunner proefnemingen, deze namelijk, dat P. en V. de taenia serrata met taenia coenurus hebben verward, en, meenende aan een schaap maskers van coenurus gegeven te hebben, dit maskers van taenia serrata hebben doen inzwelgen. (Compt/ rend. ib., pag. 1157).

 

Generatio spontanea. — Dr. schaaffhausen te Bonn treedt in eene aan de Académie der Sciences gedane mededeeling als verdediger der generatio spontanea op. Door generatio spontanea ontstaat, dus beweert hij, in gistende vochten, de protococcus, waaruit zich algen, en uit deze weder mossen ontwikkelen, gelijk kützing waarnam, en S. bevestigt. Onder andere omstandigheden ontwikkelt zich Penicillium. — Wat het dierlijk leven aangaat, dit begint met de vorming van vibrionen (Vibrio lineola). Uit deze vormen zich monaden, waarvan weder velen zich vereenigen om Polytoma urella zamen te stellen, uit welke dan weder een Paramecium kan ontstaan, die nog verdere metamorphosen kan ondergaan. (Compt. rend., Tom LIV, pag. 1046.)

 

Zenuwen der cornea.Pappenheim is opgekomen tegen de conclusiën van kuehne aangaande de zenuwen der cornea transparens. P. beweert, dat, in tegenspraak met die conclusiën, de genoemde zenuwen in bogen eindigen en van alle zijden in de cornea dringen, niet, gelijk K. schijnt te meenen, alleen aan den benedenrand. Bovendien meent hij, dat, al kon men die bogen niet opsporen, het getal en de afmetingen der zenuwen, waarvan hier sprake is, reeds a priori zoude verhinderen om aan te nemen, dat alle punten der cornea er mede in betrekking staan. (Compt. rend., Tom LIV, pag. 936.)